Onze regering mag alles van u afpakken

De overheid kan in ‘crisistijd’ desnoods al uw financiële bezittingen in beslag nemen, ook uw spaargeld, goud en zilver. Dit werd al in 1978 geregeld in de Noodwet Financieel Verkeer. In artikel 33 van deze wet wordt het de uitvoerende ministers, ambtenaren en instanties bovendien verboden om hierover ook maar iets tegen de burgers te zeggen. Bovendien zijn zij automatisch vrijgesteld van eventuele gerechtelijke vervolging in de toekomst. Voor de inhoud noodwet lees volgende artikel.

_________________________________________________________________

NOODWET FINANCIEEL VERKEER

WET van 25 mei 1978, houdende regelen inzake voorzieningen op het gebied     van het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden

WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen inzake voorzieningen op het gebied van het financiële verkeer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van het bij en krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;

b. de Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;

c. banken: alle ondernemingen en instellingen, tot wier bedrijf behoort het ter beschikking stellen of houden van gelden ten behoeve van derden, met uitzondering van de Bank; in geval van twijfel of een onderneming of instelling als bank in de zin van deze wet moet worden beschouwd, beslist Onze Minister;

d. [Vervallen.]

e. noodgeld: betaalmiddelen, welke van overheidswege in omloop worden gebracht ter vervanging van ’s Rijks munten;

f. hulpgeld: penningen, bonnen, zegels en dergelijke, welke door anderen dan de overheid of de Bank in buitengewone omstandigheden in omloop worden gebracht of als betaalmiddel worden gebruikt;

g. schadeloosstelling:

1. de schadeloosstelling of vergoeding wegens vordering in eigendom van onroerende en roerende zaken, dan wel wegens wegruiming krachtens artikel 16 van de Oorlogswet voor Nederland;

2. de schadeloosstelling wegens onteigening;

3. de vergoeding ter verkrijging bij minnelijke regeling van te onteigenen of te vorderen onroerende en roerende zaken;

4. de vergoeding of verzekeringsuitkering wegens tenietgaan, verlies of beschadiging van onroerende en roerende zaken;

5. de uitkering uit hoofde van een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor of in verband met schade aan onroerende en roerende zaken;

h. overeenkomst van levensverzekering: een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, gesloten door een levensverzekeraar waarop die wet van toepassing is;

i. overeenkomst van schadeverzekering: een overeenkomst van schadeverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, gesloten door een schadeverzekeraar waarop die wet van toepassing is;

j. overeenkomst van natura-uitvaartverzekering: een overeenkomst van natura-uitvaartverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, gesloten door een natura-uitvaartverzekeraar waarop die wet van toepassing is;

k. beheerder: een rechtspersoon die het beheer voert over een of meer beleggingsinstellingen;

l. gereglementeerde markt: een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is.

Artikel 2

1.

Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 3 tot en met 32 gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld.

2.

Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen.

3.

Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.

4.

Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld,buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.

5.

Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.

6.

Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

Hoofdstuk II. Kredietbeperking

Artikel 3

Onze Minister is bevoegd te bepalen – zo nodig in afwijking van andere wettelijke regelingen – dat het aan banken verboden is zonder een door of namens hem verleende algemene of bijzondere vergunning kredieten te verlenen of beschikkingen op openstaande kredieten toe te staan.

Hoofdstuk III. Bankenmoratorium

Artikel 4

1.

Onze Minister is bevoegd te bepalen, dat het aan anderen dan banken verboden is zonder een door of namens hem verleende algemene of bijzondere vergunning over schuldvorderingen op deze banken of op de Bank, in contanten te beschikken, met dien verstande, dat rechthebbenden op opeisbare tegoeden op rekeningen bij banken of bij de Bank, de vrije beschikking behouden over een door Onze Minister te bepalen bedrag per rekeninghouder.

2.

Het is verboden om tegoeden, welke ten behoeve van bepaalde doeleinden worden vrijgegeven, voor andere doeleinden aan te wenden.

Artikel 5

Onze Minister is bevoegd nadere voorschriften te geven terzake van een krachtens artikel 4 ingesteld bankenmoratorium.

Hoofdstuk IV. Rentevaststelling

Artikel 6

Onze Minister is bevoegd – zo nodig in afwijking van andere wettelijke regelingen – voorschriften te geven met betrekking tot vergoedingen voor diensten op het gebied van het bankwezen in de ruimste zin en van de geld- en kapitaalmarkt, voorzover zij het karakter van rentevergoeding dragen.

Hoofdstuk V. Noodgeld

Artikel 7

Onze Minister is bevoegd noodgeld in omloop te brengen tot de bedragen, welke hij in verband met de buitengewone omstandigheden nodig acht.

Artikel 8

1.

Noodgeld kan in omloop worden gebracht in dezelfde waarden, waarin ’s Rijks munten in omloop zijn gebracht. De waarde wordt op het noodgeld aangegeven.

2.

Noodgeld is wettig betaalmiddel.

Artikel 9

Hetgeen bij artikel 8, eerste lid, van de Muntwet 2002 ten aanzien van munten is bepaald, is mede van toepassing op noodgeld.

Artikel 10

Onze Minister is bevoegd in omloop gebracht noodgeld buiten omloop te stellen. Hij stelt daarbij nadere regelen omtrent de inlevering vast. Bij de inlevering wordt de nominale waarde van het noodgeld vergoed in gangbare Nederlandse betaalmiddelen. Op het tijdstip, waarop noodgeld buiten omloop wordt gesteld, verliest dit de hoedanigheid van wettig betaalmiddel.

Hoofdstuk VI. Bescherming geldcirculatie

Artikel 11

Onze Minister is bevoegd te bepalen, dat het verboden is:

a. ’s Rijks munten of noodgeld bij wege van betaling of anderszins over te dragen of aan te nemen anders dan tegen de nominale waarde daarvan zonder een door of namens hem verleende algemene of bijzondere vergunning;

b. ’s Rijks munten of noodgeld aan hun bestemming te onttrekken door oppotting, versmelting, verminking of anderszins;

c. hulpgeld aan te bieden of aan te nemen behoudens in door hem te bepalen gevallen.

Artikel 12

Onze Minister is bevoegd nadere voorschriften te geven ter bescherming van de geldcirculatie.

Hoofdstuk VII. Giraal betalingsverkeer

Artikel 13

Onze Minister is bevoegd te bepalen dat in door hem nader aan te geven gevallen een schuldeiser girale betaling van een geldschuld niet kan uitsluiten.

Hoofdstuk VIII. Bepalingen inzake de bank

Artikel 14

De Bank verleent, in afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van de Bankwet 1998, aan de Staat kredieten of voorschotten in blanco volgens regelen door Onze Minister na overleg met de Bank te stellen, wanneer dit voor een tijdelijke versterking van ’s Rijks schatkist nodig is.

Artikel 15 [Vervallen per 01-06-1998]

Artikel 16 [Vervallen per 01-06-1998]

Hoofdstuk IX. Moratorium levensverzekeringsondernemingen, pensioen- en spaarfondsen en beleggingsinstellingen

Artikel 17

1.

Onze Minister is bevoegd te bepalen, dat het verboden is zonder een door of namens hem verleende algemene of bijzondere vergunning:

a. niet-periodieke uitkeringen te doen ingevolge een overeenkomst van levensverzekering of ingevolge verzekering van zodanige uitkeringen door een pensioen- of spaarfonds, zodanige uitkeringen aan te nemen of daarover anders dan door wijziging van de begunstiging te beschikken;

b. een overeenkomst van levensverzekering door afkoop te beëindigen, daarop beleningen aan te gaan, de daarin vervatte rechten over te dragen of de daarin vervatte verplichting tot het doen van niet-periodieke uitkeringen om te zetten in de verplichting tot het doen van periodieke uitkeringen.

2.

Onder de in het eerste lid, letter a, bedoelde uitkeringen zijn niet begrepen de uitkeringen krachtens overeenkomsten van herverzekering, gesloten tot dekking van verplichtingen tot het doen van periodieke uitkeringen.3.

Met afkoop wordt gelijk gesteld het omzetten van een overeenkomst van levensverzekering in een andere overeenkomst van levensverzekering waarbij de afloopdatum van de verzekering wordt vervroegd.Artikel 18

Onze Minister is bevoegd nadere voorschriften te geven terzake van een krachtens artikel 17 ingesteld verzekeringsmoratorium, met inbegrip van voorschriften inzake vergoeding van rente over bedragen, waarvan de uitkering ingevolge de bij en krachtens dit hoofdstuk vastgestelde bepalingen is opgeschort.

Artikel 18a

1.

Onze minister is bevoegd te bepalen dat het een beheerder verboden is, zonder door een of namens hem verleende algemene of bijzondere vergunning, rechten van deelneming in een beleggingsinstelling rechtstreeks of middellijk in te kopen.

2.

Onze minister is bevoegd nadere voorschriften te geven ter zake van een krachtens het eerste lid ingesteld moratorium.

Hoofdstuk IXA. Korting op dekking terrorismerisico door verzekeringsondernemingen

Artikel 18b

1.

Onze Minister is bevoegd te bepalen dat verzekeringsondernemingen die ingevolge door hen gesloten overeenkomsten van levensverzekering, overeenkomsten van schadeverzekering of overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering uitkeringen zullen verrichten naar aanleiding van een of meer terroristische handelingen, door hem vast te stellen kortingen toepassen, dan wel niet gehouden zijn tot uitkeringen die een door hem te bepalen bedrag voor alle verzekeringsondernemingen gezamenlijk overschrijden.

2.

Onder de in het eerste lid bedoelde uitkeringen krachtens overeenkomsten van levensverzekering, overeenkomsten van schadeverzekering of overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering zijn niet begrepen uitkeringen krachtens overeenkomsten van herverzekering.

3.

Onze Minister is bevoegd de in het eerste lid bedoelde kortingen en beperkingen van uitkeringen te herzien.

Artikel 18c

Onze Minister is bevoegd nadere voorschriften te geven terzake van het bepaalde in artikel 18b.

Artikel 18d

Zolang de ingevolge de artikelen 18b en 18c gegeven voorschriften van kracht zijn, blijven de in de betrokken overeenkomsten van levensverzekering, overeenkomsten van schadeverzekering of overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering opgenomen bepalingen omtrent de dekking van het terrorismerisico buiten toepassing.

Hoofdstuk X. Dekking oorlogsrisico door levensverzekeringsondernemingen, pensioen- en spaarfondsen

Artikel 19

Onze Minister is bevoegd te bepalen, dat in overeenkomsten van levensverzekering het oorlogsrisico van een door hem vast te stellen tijdstip af wordt geacht mede te zijn verzekerd.

Artikel 20

1.

Onze Minister is bevoegd te bepalen, dat in verband met de dekking van het oorlogsrisico door hem vast te stellen kortingen worden toegepast op de verzekerde bedragen – waaronder mede begrepen eventuele premierestitutie -, op de premievrije waarden, op de afkoopwaarden en al dan niet op de reeds verschuldigde uitkeringen uit hoofde van overeenkomsten van levensverzekering.

2.

Onze Minister is bevoegd de in het vorige lid bedoelde kortingen te herzien.

3.

Onze Minister is bevoegd te bepalen, dat het, zolang hij van de hem in het eerste lid gegeven bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, verboden is zonder een door of namens hem verleende algemene of bijzondere vergunning uitkeringen ingevolge een overeenkomst van levensverzekering te doen, aan te nemen of daarover te beschikken.

Artikel 21

Onze Minister is bevoegd nadere voorschriften te geven terzake van het mede-verzekeren van het oorlogsrisico in overeenkomsten van levensverzekering en terzake van de in artikel 20 bedoelde kortingen.

Artikel 22

Onze Minister bepaalt het tijdstip, met ingang waarvan de krachtens artikel 20 vastgestelde kortingen niet meer worden toegepast ten aanzien van daarna te sluiten overeenkomsten van levensverzekering.

Artikel 23

Zolang de ingevolge de artikelen 19-22 gegeven voorschriften van kracht zijn, blijven de in de betrokken overeenkomsten van levensverzekering opgenomen bepalingen omtrent de dekking van het oorlogsrisico buiten toepassing.

Artikel 24

Het bepaalde in de artikelen 19-23 is van overeenkomstige toepassing op de aanspraken, verbonden aan de deelneming in een pensioen- of spaarfonds.

Hoofdstuk Xa. Bepalingen inzake de effectenbeurzen

Artikel 24a

Onze minister is bevoegd voorschriften te geven omtrent:

a. de opening en de sluiting van de effectenbeurzen;

b. de voor de effectenbeurzen te hanteren regels, hun toepassing en de controle op de naleving van deze regels.

Hoofdstuk XI. Betaling schadeloosstellingen

Artikel 25

1.

Onze Minister is bevoegd te bepalen – zo nodig in afwijking van andere wettelijke regelingen -, dat de betaling van schadeloosstellingen of van voorschotten daarop behoudens een door of namens hem te verlenen algemene of bijzondere vergunning uitsluitend kan geschieden door storting op een geblokkeerde rekening. Alsdan wordt voor de toepassing van de Onteigeningswet het bewijs van deze storting met een bewijs van de betaling gelijkgesteld.

2.

Onze Minister is bevoegd nadere voorschriften te geven terzake van een overeenkomstig het eerste lid vastgestelde wijze van betaling en zonodig de rechtsgevolgen daarvan voor de daarbij betrokken partijen en voor derden te bepalen.

3.

Onze Minister is bevoegd voorschriften te geven terzake van de vrijgave van op geblokkeerde rekeningen gestorte bedragen alsmede terzake van de voorwaarden welke aan de vrijgave kunnen worden verbonden. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben zowel op alle geblokkeerde rekeningen of bepaalde gedeelten of groepen daarvan als op afzonderlijke rekeningen.

Hoofdstuk XII. Financieel verkeer met het buitenland

Artikel 26

Onze Minister is bevoegd – zo nodig in afwijking van andere wettelijke regelingen – voorschriften te geven ten aanzien van de financiële betrekkingen met het buitenland, alsmede ten aanzien van het vorderen van gouden munten, fijn goud, alliages van goud (onbewerkt of halffabrikaat) en buitenlandse activa van ingezetenen. Tenzij bijzondere omstandigheden dit naar zijn oordeel onmogelijk maken, oefent hij deze bevoegdheden niet uit dan in overeenstemming met Onze Ministers van Buitenlandse Zaken, van Economische Zaken en van Landbouw en Visserij.

Hoofdstuk XIII. Bepalingen van bijzondere aard

Artikel 27

Wanneer anderen dan Onze Minister algemene of bijzondere vergunningen verlenen overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet, nemen zij de daartoe door Onze Minister gegeven aanwijzingen in acht.

Artikel 28

1.

Een overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3, 4, 11, 17, 20 of 25 te verlenen vergunning kan zowel een algehele als een gedeeltelijke ontheffing van de desbetreffende bepalingen inhouden.

2.

Aan een vergunning, als bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften en voorwaarden worden verbonden.

Artikel 29 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 30

1.

Een ministeriële regeling krachtens deze wet vastgesteld treedt niet in werking alvorens zij is bekendgemaakt overeenkomstig de Bekendmakingswet (Stb. 1988, 18) of op een andere door Onze Minister bepaalde wijze.

2.

Andere besluiten van Onze Minister krachtens deze wet genomen treden niet in werking alvorens zij zijn bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourantof op een andere door Onze Minister bepaalde wijze.Artikel 31

Aan het slot van artikel 1, eerste lid, onder 1°, van de Wet op de economische delicten wordt toegevoegd: de Noodwet financieel verkeer, de artikelen 3, 4, 5, 6, 11, 12, 17, 18, 26 en 28, tweede lid.

Artikel 32

Op noodgeld zijn de artikelen 208-214 en 440 van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33

Het is aan ieder, die bij de toepassing van de bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen enige taak vervult, verboden aan daarbij verkregen gegevens of inlichtingen bekendheid te geven, tenzij zulks voor de juiste uitoefening van die taak wordt vereist.

Artikel 34

Bij algemene maatregel van bestuur worden de autoriteiten aangewezen, die onder daarbij te stellen regelen in enig gebied de daarbij aangewezen bevoegdheden, welke in deze wet aan Onze Minister worden toegekend, uitoefenen, zolang de verbinding tussen dat gebied en Onze Minister is verbroken. Ons besluit wordt mede bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant.

Artikel 35

Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld terzake van betalingen door het Rijk in enig gebied, zo lang de verbindingen tussen Onze Minister en een zodanig gebied zijn verbroken. Hierbij kan van andere wettelijke regelingen worden afgeweken.

Hoofdstuk XIV. Slotbepalingen

Artikel 36

Het Besluit Bankenmoratorium 1944 (Stb. E28) wordt ingetrokken.

Artikel 37

Na het in artikel 23 bedoelde tijdvak doen Wij zo spoedig mogelijk een voorstel van wet aan de Staten-Generaal omtrent de definitieve regeling terzake van de krachtens artikel 20 genomen maatregelen.

Artikel 38

Deze wet kan worden aangehaald als: Noodwet financieel verkeer.

Artikel 39

Met uitzondering van de artikelen 3-32 treedt deze wet in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij is geplaatst.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk, 25 mei 1978

JULIANA

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
Van Agt

De Minister van Financiën,
F.H.J.J. Andriessen

Uitgegeven de vierde juli 1978
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter

Met dank aan Ad van Rooij van het
Ecologisch Kennis Centrum BV

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s