ING gedagvaard voor gefalsificeerde geldcreatie en onrechtmatige rente….

Paul vd Waarsenburg, advocaat, gaat de ING Bank dagvaarden. De kern van zijn eis heeft hij als volgt geformuleerd: “Het geld dat gedaagde ter voldoening van de verbintenis naar de bankrekening van eiser heeft overgemaakt, kon op het tijdstip van betaling niet worden gekwalificeerd als zijnde gangbaar in de zin van artikel 6:112 BW, tenzij gedaagde een plausibele verklaring kan geven voor het vaststaande gegeven dat het, als toen door haar, digitaal uit het niets gecreëerd geld – een in een digitale gegevensdrager aangeslagen €-teken, gevolgd door cijfers -, gangbaar is in het land (Nederland) (in welks geld de betaling is geschied). Voor de goede orde, artikel 6:112 BW luidt: “Het geld dat ter voldoening van de verbintenis – in casu de op gedaagde rustende verbintenis tot betaling van een geldsom aan eiser -, wordt betaald, moet op het tijdstip van de betaling gangbaar zijn in het land in welks geld de betaling geschiedt.” Eiser noemt € 312.500,-, welk teken en cijfer hij en hiervoor heeft aangeslagen – dat ging eiser erg gemakkelijk af -, op de allerlaatste plaats gangbaar geld, waartegenover een door eiser op te brengen, meer dan redelijke en billijke rentevergoeding (naast aflossing), op basis van de arbeids- en kapitaalinbreng van eiser, niet kan en mag worden verlangd, althans daarin schuilt niet de minste redelijkheid en billijkheid.”

Vandaag, de………… tweeduizendendertien

heb ik,

op verzoek van

PAULUS LOUIS ODA VAN DE WAARSENBURG, hierna te noemen: “eiser”, procederend in persoon, die in deze zaak woonplaats kiest op het kantoor van Aarts & Van de Waarsenburg Advocaten/advocaat de heer mr. P.L.O. van de Waarsenburg, gevestigd te (6524 EH) Nijmegen, aan de Sint Annastraat 57, terwijl tevens woonplaats wordt gekozen te Amsterdam ter griffie van de Rechtbank Amsterdam, Afdeling privaatrecht, team kanton,

GEDAGVAARD

de naamloze vennootschap ING BANK N.V., hierna te noemen: “gedaagde”, gevestigd te (1102 MG) Amsterdam, aan het Bijlmerplein 888, op welk adres de dagvaarding is uitgebracht, waarbij een afschrift is overhandigd aan:

om op tweeduizendendertien, om uur des middags,

in persoon dan wel bij gemachtigde te verschijnen op de terechtzitting van de Rechtbank Amsterdam, Afdeling privaatrecht, team kanton. Deze terechtzitting zal gehouden worden in het gerechtsgebouw te (1076 AV) Amsterdam, aan de Parnassusweg 220.

Gedaagde kan er ook voor zorgen dat een met redenen omklede schriftelijke conclusie van antwoord (in tweevoud) vóór die terechtzitting ter griffie van de Rechtbank Amsterdam, Afdeling privaatrecht, team kanton, wordt ingediend, of op die terechtzitting aan de kantonrechter wordt overhandigd.

De conclusie van antwoord vermeldt de bewijsmiddelen waarover gedaagde kan beschikken ter staving van de gronden van haar verweer alsmede de getuigen die zij daartoe kan doen horen. Gedaagde dient tegelijkertijd een afschrift van het exploot van de dagvaarding te overleggen.

De Rechtbank kan aan gedaagde, indien zij daarom vraagt, uitstel verlenen om een conclusie van antwoord in te dienen. Indien gedaagde niet zelf, of bij gemachtigde mondeling of schriftelijk antwoordt, noch om uitstel verzoekt, bestaat er de mogelijkheid, dat de Rechtbank de hierna omschreven vordering van eiser bij verstek zal toewijzen, tenzij de Rechtbank deze vordering onrechtmatig of ongegrond acht.

Op deze terechtzitting zal op basis van de hieronder weergegeven feiten, de daarna volgende eis worden ingesteld:
ALGEMEEN; THE CREDIT RIVER CASE

1.
Aan het uitbrengen van deze dagvaarding is onder andere de volgende gebeurtenis vooraf gegaan: in 1968 speelde er in de Amerikaanse staat Minnesota een, ook onder de naam ‘Credit River Case’ bekend staande rechtszaak, welke rechtszaak was aangespannen door advocaat Jerome Daly. Deze Daly vocht aan de voorgenomen inbeslagname van zijn huis door de bank, die hem daarvoor ooit een geldlening tegen – uiteraard – rente had verstrekt. Daly’s argument luidde: het hypotheekcontract tussen hem en de bank vereist dat eenieder wettig bezit – een goed dat, of een zaak die al existeert – moet inbrengen.

2.
Daly maakte ook duidelijk dat het geld feitelijk geen eigendom van de bank was, omdat dat geld – dat op een papier geschreven of getypte bedrag aan Amerikaanse dollars –, uit het niets was gecreëerd, direct na het ondertekenen van het contract tussen hem en de bank. De rechtbank besliste, dat er daarom geen sprake was van een rechtsgeldige overeenkomst. Bij vonnis d.d. 09-12-1968 (productie 1) verwierp de rechtbank (rechter Martin V. Mahoney), mede op basis van het oordeel van de jury, de door de bank ingediende eis voor inbeslagname van het huis en Daly mocht daarin blijven wonen. (http://en.wikipedia.org/wiki/First_National_Bank_of_Montgomery_v._Jerome_Daly). Het betreft Amerikaanse jurisprudentie – een vonnis van een zogenaamde ‘vrederechter’; http://nl.wikipedia.org/wiki/Vredegerecht. Normaliter slaat een Europese rechter geen acht op dergelijke jurisprudentie, in het kader van zijn oordeel. Toch is deze beslissing interessant, omdat in dit geval een rechter reeds een streep zette door het fenomeen geldcreatie uit het niets, waarbij niet eens werd toegekomen aan het aspect rente over geld dat uit het niets is gecreëerd…

3.
Aldus draaide het in voormelde Amerikaanse kwestie, om de feitelijke, niet door enige wet gesanctioneerde en niet nader omschreven, óók door gedaagde gevoerde praktijk, welke praktijk zich laat omschrijven als een bepaald, vooralsnog onopgehelderd proces (‘procédé x’), welk proces uiteindelijk leidt tot geldcreatie uit het niets, waarna óók gedaagde, over dat geld uit het niets, zonder onderliggende dekking, van een ander een rentevergoeding verlangt, naast aflossing uiteraard. Eiser kan zich niet verenigen met deze, niet door enige wet gedragen of gesanctioneerde (bank)praktijk, laat staan dat hij kan instemmen met een daaraan gekoppeld recht, daarover een substantiële rentevergoeding te verlangen. Citaat uit voormeld vonnis van judge Mahoney: “Only God can create something out of nothing” (productie 1). Overigens beschrijft die passage niet, ook een eiser onbekend feitelijk proces van geldschepping, of beter gesteld valutaschepping, van begin tot eind; ‘procedé x’. Naar de mening van eiser, leidt dat proces, volstrekt ten onrechte, tot rentestipulatie en -generatie, met veelal daarbij behorende arbeidsinzet en/of kapitaalinzet en/of ‘arbeids- en kapitaalroof’. Met deze laatste termen, wil eiser graag ook duidelijk maken, dat rentestipulatie en -generatie impliceert, ontneming of wegneming van andermans reële of intrinsieke arbeid en/of reëel of intrinsiek kapitaal. Zulks klemt te meer in tijden van economische krimp, althans geldonttrekking uit, of kredietafname in het (economische) systeem. Dit – rente; een overdrachtelijke zweep – zorgde en zorgt voor slachtoffers, onder andere in de vorm van hypotheekgevers, of andere kredietnemers, die zich ook heden ten dage geconfronteerd zien met financieel-economische tegenspoed ten gevolge van het, naar de mening van eiser, verderfelijke systeem van rente. Eiser vermoedt dat rente – voor de zoveelste keer – een metafoor is van een alles, althans veel vernietigende tijdbom. Ook in een minder ruim kader, kan met vrucht worden betoogd, dat niet valt in te zien dat een bank als gedaagde, haar verdienmodel kan en mag laten stoelen op door haar, digitaal uit het niets gecreëerd geld en daaruit voortvloeiende rente-inkomsten. Daarmee wil eiser tevens aangeven, dat niets eraan in de weg staat de figuur ‘bankrente’, of bankrente per direct af te schaffen, althans deze voortaan synoniem te laten zijn voor niet zo maar een vergoeding, maar een vergoeding, als tegenprestatie voor bijvoorbeeld een verrichte dienst van wezenlijke waarde. Volgens eiser valt onder een ‘dienst van wezenlijke waarde’ niet, het digitaal uit het niets creëren van geld, of nog beter gesteld, daaronder valt niet, een aangeslagen, of aan te slaan (digitaal) bedrag, zoals – eiser doet het even voor – € 312.500,-, want dát is zo simpel en de facto van geen intrinsieke waarde, althans dát is (slechts) zoveel (rente) waard, als de gek ervoor geeft en vooralsnog lopen er wat eiser betreft, nog genoeg ‘gekken’ rond, waaronder hijzelf, hoewel zelfs hij nog elke dag bijleert, dat dan weer wel en ook vandaar deze dagvaarding.

4.
In de hiervoor beschreven situatie: banken creëren digitaal geld uit het niets – dit na een ook voor eiser mysterieus, daaraan voorafgaand proces (‘procédé x’) -, is tot op de dag van vandaag geen verandering gekomen. In tegenstelling tot anderen – niet-banken –, kan een bank geld – bijvoorbeeld een bedrag in euro’s – creëren, middels het aanslaan van een geldbedrag in een computer – dat kan eiser ook! -, waarna die bank dat bedrag – dat geld -, door middel van een druk op de computerknop, aan een ander kan uitlenen – digitale geldtransfer -, in ruil voor door die bank bedongen aflossing en rente.
In dat kader refereert eiser onder andere aan:
http://www.dailypaul.com/87184/jerome-daly-the-man-who-humbled-the-federal-reserve;
http://criminalbankingmonopoly.wordpress.com/montgomery-vs-daly/;
http://en.wikipedia.org/wiki/Martin_Mahoney.

5.
Als eiser liegt over de gangbare praktijk van een tevens ‘fractioneel reserve bankierende’ gedaagde, dan liegt hij in commissie. De Amerikaanse senator Ron Paul (1935) meldde daarover het volgende : “As Murray Rothbard put it, “Fractional reserve banks … create money out of thin air. Essentially they do it in the same way as counterfeiters. Counterfeiters, too, create money out of thin air by printing something masquerading as money or as a warehouse receipt for money. In this way, they fraudulently extract resources from the public, from the people who have genuinely earned their money. In the same way, fractional reserve banks counterfeit warehouse receipts for money, which then circulate as equivalent to money among the public. There is one exception to the equivalence: The law fails to treat the receipts as counterfeit”; bron: http://www.examiner.com/article/ron-paul-our-cur …Eiser licht alvast een tipje van zijn sluier op, met zijn vraag aan gedaagde, op welke legitieme leest, het door haar uit het niets in existentie brengen van digitaal geld, zonder onderliggende dekking, is geschoeid. Daarbij gaat eiser er gevoeglijk vanuit dat aan deze, bij weten van eiser, niet (volledig) nader omschreven praktijk van gedaagde een concrete, níet voor meerdere uitleg vatbare, op democratische leest geschoeide gecodificeerde regel ten grondslag ligt. Echter, volgens eiser maakt ook het lezenswaardige artikel van Dr. Roelf Haan niet duidelijk waar kan worden gevonden ‘de wet of het wetsartikel van geldcreatie uit het niets’; zie http://mjvdl.files.wordpress.com/2013/10/dw-april-2013-in-zwart.pdf. Aldus moet gedaagde daar maar voor eens en voor altijd uitsluitsel over geven.
RELEVANT WETTELIJK KADER

6.
Artikel 1:1 Wft (Wet op het financieel toezicht) definieert de term ‘bank’ als volgt: ‘degene die zijn bedrijf maakt van het buiten besloten kring ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen’. Dit, op een zeer sluwe wijze geredigeerde wetsartikel, suggereert dat opvorderbare gelden worden aangewend voor kredietuitzettingen. Dat heeft niet in de laatste plaats te maken, met de in dat artikel opgenomen zinsnede ‘en’ (in plaats van ‘of’; PW) van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen’. ‘Voor eigen rekening’ lijkt te impliceren dat een bank als gedaagde haar (éigen) geld distribueert, maar daarmee wordt de waarheid op zijn minst geweld aangedaan, althans hier is een stevige nuancering op zijn plaats, met daarbij de mededeling dat het geld op de door gedaagde beheerde bankrekeningen – giraal geld – kennelijk wél haar eigendom is, indachtig Cyprus (Bank of Cyprus en Laiki Bank), Bear Stearns, Lehman Brothers, DSB, MF Global, de Argentijnse ‘Corralito’ (in 2001), en Texeira de Mattos (1966; Nederlandse bankrekeninghouders waren ook toen hun geld kwijt en revindicatie daarvan zat er ook voor hen niet in).
Artikel 1:1 Wft definieert de term ‘krediet’ als volgt: ”het aan een consument ter beschikking stellen van een geldsom, ter zake waarvan de consument gehouden is een of meer betalingen te verrichten”.
Ook in artikel 1.1 Wft komt voor, het begrip ‘opvorderbare gelden’. Opvorderbare gelden zijn volgens artikel 1:1 Wft: ”gelden die op enig moment terugbetaald moeten worden, uit welke hoofde dan ook, en waarvan op voorhand duidelijk is welk nominaal bedrag moet worden terugbetaald”. Nogmaals, de bank schijnt eigenaar te zijn (geworden) van die door haar verkregen opvorderbare gelden en degenen van wie de bank die gelden heeft verkregen, hebben slechts een vorderingsrecht strekkende tot terugbetaling van die gelden, welk vorderingsrecht derogeert aan het eigendomsrecht van de bank. Zie in dat kader onder andere de reeds hiervoor gememoreerde ‘kwestie DSB’, waaruit eens te meer bleek, dat gedupeerde bankrekeninghouders, hun bij de bank (DSB) gestalde gelden – óók door hen bij de bank ingebrachte, van een uniek nummer voorziene bankbiljetten; stoffelijke goederen (zaken ex artikel 5:1 BW) – niet konden herverkrijgen (revindiceren), omdat zij geen eigenaar (meer) daar van waren. Zij hadden slechts op (de faillissementscurator van) DSB, een vordering tot betaling van een geldsom – een relatief recht – en zij moesten een beroep doen op het zogenaamde depositogarantiestelsel (http://www.dnb.nl/over-dnb/de-consument-en-dnb/d

7.
Volgens artikel 4, onderdeel 1 van Richtlijn 2006/48/EC, een zogenaamde ‘Capital Requirements Directive’ (CRD), dient onder een ‘bank’ te worden verstaan: “een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening.”

8.
Zie voorts http://www.toezicht.dnb.nl/2/50-201916.jsp (website van De Nederlandsche Bank). Eiser betrok daarvan de volgende tekst:

“De betekenis van ‘bank’ in de Wet op het financieel toezicht (Wft) is van belang om te bepalen of bepaalde activiteiten onder één van de verboden van de wet vallen, dan wel of men in aanmerking kan komen voor een bankvergunning.

Wat is een bank?
Van een bank is sprake indien men zijn bedrijf maakt van het buiten besloten kring ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen. (…)

Kredietuitzettingen
Dit is het verstrekken van nominaal opvorderbare gelden aan een ander met het doel daardoor voordelen te krijgen. Nominaal opvorderbare gelden wil zeggen geld dat op enig moment terugbetaald moet worden, waarvan vaststaat hoeveel moet worden terugbetaald. De voordelen voor de geldverstrekker óf een aan hem gerelateerde partij moeten ‘op geld waardeerbaar’ zijn.

Voor eigen rekening
‘Voor eigen rekening’ kredietuitzettingen verrichten, wil zeggen zelf het financiële risico lopen van die kredietuitzettingen. Indien iemand voor de kredietuitzettingen een winst- of verliesgerelateerde vergoeding ontvangt, handelt hij ook ‘voor eigen rekening’.

Bedrijf maken van
Iemand die buiten besloten kring opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen ter beschikking krijgt en voor eigen rekening kredietuitzettingen verricht, maakt zijn bedrijf van deze activiteiten als zij ‘zelfstandig identificeerbaar’ zijn én niet uitsluitend dienen ter ondersteuning van (andere) hoofdactiviteiten. Als de hoofdactiviteiten financieel van aard zijn, maakt het niet uit dat het aantrekken en uitzetten van de gelden ter ondersteuning van de hoofdactiviteiten zijn. In dat geval is sprake van een bank.”

Aldus interpreteert DNB artikel 1:1 Wft en de facto ook artikel 4, onderdeel 1 van Richtlijn 2006/48/EC, kennelijk op de wijze, zoals direct hierboven beschreven, echter zónder daarbij duidelijk te maken hóé dat kredietverstrekkingsproces van het begin tot het eind verloopt. Ook (personeel van) DNB wist zich hiermee duidelijk geen raad, waarover hierna meer.

9.
In artikel 1 BGfo Wft (Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft) vindt men als definitie: ”hypothecair krediet: overeenkomst inzake krediet met een consument, bij het aangaan waarvan een recht van hypotheek wordt gevestigd, strekkende tot verhaal bij voorrang van de vordering tot voldoening van de door de consument verschuldigde betaling, dan wel met betrekking waartoe reeds een zodanig recht is gevestigd en waarbij het krediet wordt verleend tegen een voor hypothecaire financieringen van de aanbieder gebruikelijk jaarlijks kostenpercentage”.

10.
In het eerste decennium van deze eeuw, heeft DNB een – nog steeds – op het internet vindbaar (digitaal) boekwerk laten publiceren. Niets mag daaruit worden overgenomen, zonder voorafgaande toestemming van DNB, gelukkig maar; zie http://www.dnb.nl/binaries/Geschiedenisvanhetgeld_tcm46-210321.pdf; tip van eiser: sla digitale pagina 41 daarvan er maar eens op na. Dit boek, dat wemelt van halve waarheden en/of onjuistheden en/of onvolledigheden, wordt beschreven dat een bank ‘het geld dat zij in bezit heeft, uitleent aan personen die daarom vragen’. Daarbij zijn ook andere waarschuwingen op hun plaats: een bank kan, volgens een volstrekt onduidelijk procedé – ‘procédé x’ –,’voor jou’ digitaal geld creëren uit het niets en het geld dat ‘jij’ op ‘jouw bankrekening’ hebt geparkeerd, of hebt laten parkeren, is niet van ‘jou’ maar van de bank. De bank is eigenaar daarvan (geworden). Dat is de (juridische) realiteit sinds jaar en dag, tenzij gedaagde met recht en een gedegen onderbouwing daarvan, een andere mening is toegedaan. In dit kader wordt verder verwezen naar ‘de gevallen’ DSB, MF Global, Cyprus et cetera. Kortom: ‘uw geld bij de bank, is van de bank en niet van u’. Overigens stelt de Amerikaanse auteur Mike Maloney – terecht – dat ‘ons geld’ – in ieder geval ‘onze digitale en papieren euro’s’; fiatgeld; geld gebaseerd op vertrouwen – geen geld is, maar eigenlijk een valuta (of rekeneenheid, of koers, of ruilmiddel) omdat ‘ons geld’ – deze digitale en papieren euro’s – géén, althans geen noemenswaardige intrinsieke waarde hebben. Maloney: “They (valuta; PW) are not a store of value!” Bij deze constatering heeft eiser lang stil gestaan, welke constatering, annex geldcreatie door centrale en commerciële banken als panacee voor groei, nogal wezensvreemd maakt, zeker in dit tijdsgewricht van nul of negatieve economische groei, waarin ook helder en duidelijk is dat geldcreatie zuur verdiende pensioen- en spaargeld – valuta! – minder waard – koopkrachtig – maakt. In tegenstelling tot hen, die het is gegeven, op een bepaalde – vooralsnog duistere wijze – (on)middellijk ‘aan de knoppen te zitten van het geldscheppingsproces’, of anders gesteld: in tegenstelling tot hen die op deze wijze ‘aan de knoppen zitten’, plukt het gros van de bevolking, waaronder eiser, daar de zure vruchten van, bijvoorbeeld in de vorm van afnemende koopkracht (geld-/valutaontwaarding), of hogere rentelasten. Daarbij geldt min of meer een ‘me first situatie’, waarbij een bank als gedaagde, eerste keus heeft in het kader van de vaststelling van de rentevoet, met een ‘haar volgende kredietnemer’, die zich daaraan heeft te conformeren, althans laatstgenoemde ontbeert het ‘artikel 1:1 Wft verdienmodel’. Ook dat laatste werkt misbruik door rentemanipulatie in de hand, al was het alleen maar op basis van kartelvorming; zie onder andere de Liborkwestie! Deze kwestie staat beslist niet op zichzelf en ziedaar de maatschappijontwrichtende werking van commerciële banken als bepalers van hun winstmarges, onder het mom of de dekmantel van: ‘wij lopen toch ook risico’, maar wie is ‘wij’ eigenlijk? Is ‘wij’ degene die zich al in de reddingssloep bevindt, of degene die zich daar het dichtst bij ophoudt? ‘Wij’ lijkt veeleer het volk – ‘volk van de rekening, onderaan de streep’ – te zijn! Bankfalen (mag) is nog steeds een lucratieve business en bonussen staan nog steeds op het programma van dat falen (mag). In het verlengde daarvan, ligt de stelling van de hiervoor aangehaalde Maloney, die op basis van empirisch onderzoek, vaststelt dat de waarde van de valuta (bijvoorbeeld de euro; PW) altijd terug gaat naar 0 (nul). Dat de euro, qua koopkracht terug gaat naar nul, is een ‘zekerheid’, zeker als in aanmerking wordt genomen, het onomstotelijk vaststaande feit dat door de centennia en millennia heen, geen enkel fiatgeldsysteem – geen enkele valuta – het er ‘levend’ van af heeft gebracht, in tegenstelling tot met name goud dat altijd als betaalmiddel heeft kunnen dienen; zie http://www.youtube.com/watch?v=DyV0OfU3-FU. Eiser denkt dat ‘wij’ nog geen notie hebben, van iets dat maar het begin van een topje van de echte ijs- of eisberg is. Als er iemand deze notie zou kunnen hebben, is het wel het ‘artikel 1:1 Wft bankkartel’, waartoe gedaagde behoort.

11.
In 2011 stelde de Socialistische Partij (SP) de wettelijke omschrijving van het begrip ‘bank’ – terecht – aan de kaak, waarvoor hulde! Citaat: ‘Kamerstuk 32.787 nr. C: De leden van de SP-fractie constateren dat de definitie van „bank? in artikel 1.1 van de Wft welhaast uit de 19e eeuw lijkt te stammen en geven de regering in overweging deze definitie te herzien. Zij zijn van mening dat geld endogeen (van binnenuit, of vanuit zichzelf; PW) door banken gecreëerd wordt overeenkomstig de “Monetary Circuit Theory” (MCT: naast een centrale bank, bijvoorbeeld DNB-ECB, creëren ook commerciële banken, waaronder gedaagde, geld; PW) terwijl de definitie veronderstelt dat banken slechts intermediair zijn en geld door de centrale bank in omloop wordt gebracht.”
Daarmee slaat de SP de spijker op zijn kop, want de definitie van ‘bank’ en daarmee óók de wet, meer in het bijzonder artikel 1:1 Wft, als definiërend instituut, strookt inderdaad niet met de 20e en 21e eeuwse werkelijkheid, ook wel genoemd: de door (bijvoorbeeld) gedaagde – géén bank in de zin van de Wft – gevoerde praktijk van digitale geldcreatie uit het niets, op basis van of na ‘procédé x’, door middel van het aanslaan van een €-teken, gevolgd door een getal, in het licht van zowel de hiervoor, als hierna uiteengezette realiteit. Aldus is er nog steeds sprake van een uit 19e eeuw stammende, naar de mening van eiser, waarheidversluierende definitie van ‘bank’, welke definitie vormt: artikel 4, onderdeel 1 van Richtlijn 2006/48/EC. Dit overdrachtelijke ‘stuk antiek’, althans dit ‘beproefde paard van Troje’, althans deze richtlijn, stamt (echter) uit de 21e eeuw en vormt – om te beginnen – ‘de bijl aan eisers’ wortel van rechtvaardigheidsperceptie’, omdat de (nationale) formele wetgever zich aan dit stuk supranationaal recht líjkt te moeten conformeren en dat is niet minder dan ‘doffe ellende’, zoals ook hiervoor uiteen is gezet. Dit roept bij eiser de vraag op: hoe zag en ziet, volgens gedaagde, de hiervoor, door de Kamerleden van de Socialistische Partij beschreven ’20e en 21e eeuwse werkelijkheid er exact uit? Meer concreet: welk en hoeveel water is er over God’s akkers gevloeid, althans door de Rijn gestroomd, vooraleer die digitale € 312.500,- in existentie kwam en wat heeft gedaagde, binnen dat kader, daarna gedaan. Eiser neemt – uiteraard – geen genoegen met een antwoord, of een ‘bekende weg’ als: geldschepping door banken wordt in de schoolboeken vermeld, of dat is nu eenmaal een gangbare of gebruikelijke praktijk. Kortom, eiser heeft – eindelijk! – recht op een A (begin) tot Z (eind) beschrijving daarvan, gelardeerd met bijbehorende wetsartikelen. Als gedaagde dat niet kan, zal de, op het vlak van de feiten, lijdelijke rechter, naar eiser aanneemt wel ambtshalve kunnen bepalen het wettelijk kader van dat ‘geldscheppingsproces van A tot Z’ (‘procédé x’), welk proces beslist niet moet worden verward met geldschepping als momentopname; het moment aanslaan van een bedrag in een computer. Daarbij refereert eiser aan http://www.positivemoney.org/how-money-works/proof-that-banks-create-money/. Als eiser liegt, dan liegt hij in commissie, indachtig ook het beeld en de spraak, die schuilen achter voormelde link.

12.
Eiser ziet het ook zo: in het huidige tijdsgewricht en ter voorkoming van volksverlakkerij, zouden artikel 1:1 Wft en artikel 4, onderdeel 1 van Richtlijn 2006/48/EC, eigenlijk als volgt moeten luiden: het is een bank toegestaan buiten besloten kring de beschikking te verkrijgen over opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, welke opvorderbare gelden per definitie níet worden uitgegeven en het is banken toegestaan, op basis van ‘procédé x’, uit het niets digitaal geld te creëren en indien nodig, achteraf – láter; nadíen – reserves daarbij te zoeken, waarbij het de banken is toegestaan over dat door hen digitaal uit het niets gecreëerde geld, een rentevergoeding te verlangen.’ Ziedaar de paradox van een gedaagde, die als een soort van een ‘leeg spaarvarken’, althans als een ‘zo goed als leeg spaarvarken’, het kennelijke vermogen heeft om geld (valuta) digitaal uit het niets te creëren, of concreet, in deze kwestie: 0 (nul) = € 312.500,-, herstel: 0 (nul) =
€ 312.500,- + rente daarover, als klap op de vuurpijl! Wat eiser betreft kan en mag dit niet, zeker niet dat laatste: rente verlangen, althans dat mag ook niet op basis van onder andere artikel 1:1 Wft, artikel 1 BGfo Wft alsmede artikel 4, onderdeel 1 van Richtlijn 2006/48/EC, noch kan en mag zulks geschieden op basis van het volgende, kennelijk door DNB gehuldigde criterium: ‘Kredietinstellingen moeten ervoor zorgen dat ze een eigen vermogen hebben (hebben!, niet: (achteraf/daarna) verkrijgen; PW), dat wat hoeveelheid, kwaliteit en verdeling betreft is afgestemd op de risico’s waaraan ze blootgesteld zijn of kunnen worden. Derhalve moeten ze beschikken over strategieën en procedures om de toereikendheid van hun eigen vermogen te beoordelen en dit vermogen op peil te houden.’ (zie punt 55 van Richtlijn 2006/48/EC). Kortom, in deze richtlijn wordt gesproken over een situatie van ‘wat is’ – het hebben – en níet over een situatie van ‘wat komt’, of ‘wat zou kunnen komen’. Overigens, als artikel 1.1 Wft stelt, dat een bank krediet uitzet voor eigen risico, dan is dat tot op grote hoogte, althans tot op zekere hoogte ook een ‘hoax’, of leugen, althans je reinste onzin over de boeg van het gegeven, dat gebleken is, dat een bank als gedaagde dat (ook) deed en doet – nog steeds! – voor (aandeelhouder)risico van de Staat der Nederlanden (lees vooral ook: Nederlanders/miljoenen belastingplichtigen, waaronder eiser, die haarvan de ondergang redden). Aldus werd en wordt ook dit wetsartikel – artikel 1.1 Wft – ook op die basis en ín de basis niet nageleefd door gedaagde. Eiser citeert nogmaals DNB: “Voor ‘eigen rekening’ kredietuitzettingen verrichten, wil zeggen zelf (zèlf; zèlf, is zelf en blijft zelf; PW) het financiële risico lopen van die kredietuitzettingen. Indien iemand voor de kredietuitzettingen een winst- of verliesgerelateerde vergoeding ontvangt, handelt hij ook ‘voor eigen rekening’”; zie http://www.toezicht.dnb.nl/2/50-201916.jsp. Eiser speelt even ‘advocaat van de duivel’, met de volgende stelling: gedaagde loopt niet zelf het risico van die kredietuitzettingen, omdat a) gedaagde dat krediet digitaal uit het niets schiep – ‘dat was niet het spaargeld van mijnheer X!’ – en b) eiser net zo goed loopt een kredietrisico, of datzèlfde kredietrisico, waarbij gedaagde, relatief en absoluut gezien minder risico loopt dan eiser, omdat gedaagde het door eiser gegeven onderpand (huis) kan uitwinnen, waarbij gedaagde het risico van een ‘default’ van eiser ook, en zelfs van meet af aan, op andere manieren kan hebben afgedekt, bijvoorbeeld middels een daaraan gekoppelde credit default swap (cds), of securitisatie van eiser’s hypotheek. Ook deze aspecten plaatsen het vermeende, door eiser gelopen risico – bewezen (semi) non-eigen risico, (ook) vanaf het seizoen 2008-2009 – in een ander daglicht. Artikel 1.1 Wft beschrijft de facto een ‘vaag schip’ dat ‘Risico’ heet, waarbij over het hoofd wordt gezien dat, zo is reeds gebleken, alle Nederlanders in dat schip zitten. Welbeschouwd is dat een grote, voor velen onder ons verzwegen ‘vrij grote schade en schande’, althans een door velen onder ons onbegrepen ‘vrij grote schade en schande’. Daarbij mag worden aangetekend, dat de term ‘too big to fail’ met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ten onrechte wordt gekoppeld aan een bank als bijvoorbeeld gedaagde – geen bank in de zin van artikel 1:1 Wft -, die gretig in dit, op het eerste gezicht diffamerende, maar wel commercieel uiterst lucratieve gat is gesprongen en daarvan gretig gebruik blijft maken ten gunste van haar belanghebbenden, met name het topmanagement en de aandeelhouders. Ook daar zit eisers’ grote wrevel en pijn. Daarbij worden haar spaarders afgescheept met – excusez les mots – een f(l)oprente -, die door inflatie en box 3, meer dan ‘völlig vernichtet wird’, terwijl veeleer wij – Nederland als geheel, alle Nederlanders – ‘too big to fail’ zijn. Juist daarom, zou het een goede zaak en de hoogste tijd zijn, een bank als eiser haar ‘terechte plaats’ te wijzen, onder andere in de vorm van de onmiddellijke ontneming van haar verdienmodel; het verdienmodel ten hare winste of bate, met ‘reddings- of feestboten’ voor slechts een select gezelschap. Misselijk verkeerd hoor, succesjes in de vorm van ‘rente carry trading for her, herself and she’ en ‘cowboybankieren’ met ‘wezensvreemde derivaten’, alias ‘Ponzi is playing his game of musical chairs’, maar bovenal hardwerkende spaarders, of misschien wel beter gesteld, echt werkende spaarders waren, zijn en blijven de dupe, door het ‘geld- of valutaontwaardende gedrag’ van gedaagde, tevens geen bank ex artikel 1:1 Wft. Ook dat doet eiser verzuchten, dat hij uitermate irritant vindt dat Willem Middelkoop het tot nu toe en helaas bij het rechte eind heeft, indachtig zijn woorden: “Het systeem verander je pas, als het oude systeem is ingestort, is geïmplodeerd, weg is” (zie in dat kader: http://www.youtube.com/watch?v=OBahZHnV03U). In het kader van de transitie naar een stabieler en een meer volwassen systeem, op basis van goed fatsoen, hoopt eiser dat deze dagvaarding een zinvolle bijdrage kan leveren aan een gecontroleerd implosie van het mede door hem verachte en verfoeide (huidige) financiële systeem. Gedaagde moet haar eigenlijke rol er- en herkennen, namelijk die van dienaar van het volk, in plaats van bedienaar van zichzelf, mede in het licht van een (verkeerd) voorbeeld als: waar haal je als (centrale) bank $ 160.000.000.000 vandaan? Dat doe je op dezelfde manier, volgens ‘procédé x’, zoals een onbank als gedaagde dat doet (die voor dat trucje een forse rente – haar winst – verlangt). Zeker in het huidige tijdsgewricht, is niet dat erg, neen, dat is ontluisterend en wel in meer dan een opzicht (http://www.youtube.com/watch?v=TJQZYbBD_wg).

13.
Ook de hiervoor gememoreerde Richtlijn 2006/48/EC komt eiser voor als een ‘schip’ dat welhaast schreeuwt om een ongedisciplineerde piratenbemanning. De SP had deze niet geringe ‘old fish out of hell’ aan de haak, maar verzuimde deze aan te slaan. Eiser is er zich terdege van bewust dat het ‘project Europa’, in de vorm van onder andere artikel 4, onderdeel 1 van Richtlijn 2006/48/EC, mogelijk ooit de goede bedoeling was van eerlijke, oprechte en geëngageerde politici; toenadering, overleg, samenwerking, stabiliteit en vrede, alhoewel, de uitlating van Jean-Claude Juncker, onder punt 69, doet, eufemistisch uitgedrukt, daar weer het nodige aan af. Mogelijk hadden zij – ‘de politici’ – er eveneens geen verstand van, of onvoldoende zicht op financiële belangen en zaken – de bekende en veelbesproken ‘weeffouten’ -, althans zij waren niet alert genoeg, waarna anderen – bank- en andere zakenlieden -, mede onder pseudo-toezicht van de Bank for International Settlements (BIS), met een nog grotere financiële bal aan de haal zijn gegaan, indachtig onder meer artikel 4, onderdeel 1 van Richtlijn 2006/48/EC, waarover ‘de afgebrande, als een feniks uit de as herrezen ultieme overlever DSK’, zich onlangs in niet mis te verstane bewoordingen heeft uitgelaten (www.gewoon-nieuws.nl/2013/11/dsk-voorspelt-doorbraak-populisten-eurosceptici/#.UpC7ycu9KSM). Daarbij heeft eiser het nog niet gehad over de ex-president van de Verenigde Staten, Woodrow Wilson, die zich nog wel eens in zijn graf zal omdraaien, indachtig de mede door hem goedgekeurde Federal Reserve Act 1913 – fait accompli terrible -, welke, tot op de dag van vandaag, in een bepaald opzicht, ‘alle kanaries in alle kolenmijnen’ schier overbodig heeft gemaakt. Wilson schreef in zijn memoires: “I am a most unhappy man. I have unwittingly ruined my country. A great industrial nation is controlled by its system of credit. Our system of credit is concentrated. The growth of the nation, therefore, and all our activities are in the hands of a few men. We have come to be one of the worst ruled, one of the most completely controlled and dominated Governments in the civilized world no longer a Government by free opinion, no longer a Government by conviction and the vote of the majority, but a Government by the opinion and duress of a small group of dominant men.” De facto zucht ook eiser onder dit juk, hetgeen hij prima kan uitleggen.
FEITEN

14.
Op basis van een 21-10-2010 tussen eiser en gedaagde gesloten overeenkomst (‘overeenkomst van geldlening’), heeft gedaagde, op basis van een dienst – haar dienst – aan eiser verstrekt een product, in de vorm van een bedrag van € 312.500,- (productie 2). Zijdens gedaagde is daarbij met geen woord gerept over onder andere de wijze waarop zij dat bedrag in existentie heeft gebracht alsmede haar (interne) procedure die daarvóór en daarná, in verband daarmee is doorlopen, nog afgezien van het ontbreken van een wettelijke grondslag. Daarbij schieten door het hoofd van eiser, de volgende vragen: Angelsaksisch model?!, ‘the king, a.k.a. a commercial bank, can do no wrong?!, jurisprudentierecht?! In dat kader roept de bij voormelde overeenkomst van geldlening behorende ‘decoy’, alias ‘collateral damage’, in de vorm de Algemene Voorwaarden ING Hypotheken, vastgesteld bij akte van 04-03-2010, bij eiser meer vragen en dan antwoorden op. Ook in die algemene voorwaarden staat onder andere niets over ‘procedé x’, of over het resultaat daarvan, namelijk geld – een product -, dat gedaagde uit het niets heeft gecreëerd en dat voor rente en aflossing aan eiser heeft ‘verkocht’. Daarbij heeft gedaagde eiser op zijn minst impliciet doen voorkomen, dat zulks haar verdienste was, althans gedaagde heeft in de richting van eiser, in alle toonaarden gezwegen, over de in wezen kinderlijk eenvoudige wijze waarop zij valuta – haar product – in existentie bracht, voor welke in wezen kinderlijk eenvoudige truc, zij van eiser een rentevergoeding verlangt, welke vergoeding de door eiser geleende € 312.500,- met ‘twee vingers in de neus’ zal overstijgen. Joost mag weten waarom zo’n fundamenteel onrechtvaardig, maatschappij ontwrichtend fenomeen als rente/hypotheekrente over geld uit het niets (‘luchtgeld’), (vooralsnog) onverkort in stand wordt gehouden, althans als zodanig wordt ontkend, althans lijkt te worden ontkend, onder andere in de vorm van hypotheekrenteaftrek, Nationale Hypotheek Garantie (NHG), arbeidsongeschiktheidverzekering in verband met hypotheekrentebetaalrisico, et cetera, et cetera. In alle gevallen – verkapte banksubsidie; sigaren uit onze (eigen) doos – wordt het belang van een bank als gedaagde gediend. Maar ‘wij’ genieten toch hypotheekrenteaftrek. O ja, wie betaalt deze dan?! Wij, de belastingbetalers.

15.
Ten tijde van het sluiten van de hiervoor aangehaalde overeenkomst, ging eiser er zondermeer van uit dat voormeld bedrag bij gedaagde aanwezig eigen vermogen en/of vreemd vermogen was. Deze gedachte werd op dat moment mede ingegeven door het feit dat gedaagde van eiser verlangde, een substantiële rentevergoeding over een openstaand, door eiser van gedaagde betrokken geldbedrag, namelijk € 312.500,-.

16.
Op grond van voortgeschreden inzicht – de soep wordt ànders gegeten dan hij wordt opgediend -, is eiser tot de conclusie gekomen dat gedaagde voormeld bedrag – deze € 312.500,- (product) –, heeft gecreëerd (op basis van ‘procédé x’) door middel van het aanslaan van dat bedrag in een digitale gegevensdrager (computer). Eiser slaat ook aan, maar dan op de door hem ervaren discrepantie tussen deze werkmethode en artikel 1:1 Wft en dan met name de daarin opgenomen definitie van een bank, welke definitie luidt: “degene die zijn bedrijf maakt van het buiten besloten kring ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen”.

17.
Dat gedaagde voormeld bedrag (product), op de hiervoor uiteen gezette wijze heeft gecreëerd, is misschien nog tot daar aan toe, maar eiser kan en mag zich niet verenigen met het feit dat gedaagde van hem, in verband daarmee, heeft bedongen een recht op rente (hypotheekrente), welk recht om diverse feitelijke en juridische redenen ook volstrekt niet in een redelijke en billijke verhouding staat tot de waarde van de inspanning die gedaagde zich daarvoor heeft moeten getroosten, namelijk, op basis van ‘procedé x’ € 312.500,- aanslaan in een digitale gegevensdrager (computer) en het daarnaast verrichten van een beperkt aantal (andere) administratieve handelingen. Eiser ziet geen enkele rechtvaardiging voor het feit dat hij meer dan 3 jaar (38 maanden) na contractsluiting, naast aflossing, al meer dan € 30.000,-, althans tienduizenden euro’s aan rente aan gedaagde heeft moeten afdragen, in ruil vóór zoiets simpels als het aanslaan van € 312.500,- in een digitale gegevensdrager en een beperkt aantal administratieve handelingen daaromheen. Hoe kan die € 312.500,- overstijgende rentevergoeding, althans die tonnen of tienduizenden euro’s aan rente met goed fatsoen worden gerechtvaardigd, indachtig de daartegenover staande prestatie? Voorbeeld: eiser is onlangs rondgeleid in een Duits bedrijf, dat hoogwaardige, tot de micrometer perfecte onderdelen en machines maakt voor onder andere BMW, Porsche, AMG-Mercedes-Benz, MAN (trucks) en de olie-industrie. Als eiser dàt vergelijkt met gedaagdes’ prestaties, dan is dat laatste met afstand ‘de grootste kneus van een lachertje voor rekening van eiser’ en van dat laatste neemt eiser geen woord terug. De advocaat van de duivel in eiser stelt vervolgens vast dat gedaagde met haar ‘act’ van luchtgeldcreatie, met rentestipulatie, van eiser ‘de allergrootste kneus van een lachertje’ heeft gemaakt, hoewel eiser dat niet zonder meer wenst te pikken en te slikken.

18.
Geruime tijd na 21-10-2010, is het eiser duidelijk geworden, dat het door gedaagde bedongen recht op rente, niet zozeer de verdienste is van gedaagde. Integendeel, dat vermeende (Angelsaksische) ‘the king can do no wrong’ recht – Common law -, van gedaagde is hoofdzakelijk en veeleer – natuurlijk als biologie! – te danken aan eiser, zijn onderpand – de met een recht van hypotheek belaste en door hem onderhouden woning – alsmede zijn arbeids- en verdiencapaciteit. Het was uitdrukkelijk deze combinatie – de verdienste van eiser –, die gedaagde de gelegenheid bood € 312.500,- aan te slaan in een digitale gegevensdrager. Naar eiser toe heeft gedaagde daarover in alle toonaarden gezwegen. Op basis van zijn voortgeschreden kennis en inzicht, neemt eiser dat gedaagde zeer kwalijk, mede indachtig hetgeen van haar werd verlangd, namelijk nakoming van haar plicht tot vermelding van de wezenlijke kenmerken van de door haar aangeboden dienst – geldcreatie uit het niets, op basis van ‘procédé x’ – en het aangeboden product, namelijk digitale valuta, een vordering op naam of goed, een en ander op grond van onder andere artikel 4:20 Wft, waarover verderop in deze dagvaarding meer.

19.
Volgens onder anderen de heer dr. D.J. Bezemer, universitair hoofddocent, verbonden aan de faculteit Economie en Bedrijfskunde, van de Rijksuniversiteit Groningen, creëren banken geld uit het niets. Bezemer stelt onder meer het volgende vast: wanneer een bank een lening verstrekt, wordt er nieuw geld gecreëerd (bron: DEBT episode 1: Debt, a great invention; a great invention?!; PW). Ook drs. Ad Broere, econoom, heeft expliciet duidelijk gemaakt dat banken geld uit het niets creëren (bron: Lezing: Ad Broere | Z-day 2013 Netherlands; nota bene ongeveer vanaf 06:15 wordt de balans van gedaagde (ING) besproken, waarna de praktijk van geldschepping uit het niets, zonder een daaraan gekoppelde dekking (funding), tegen het licht wordt gehouden. Sir Mervyn King, gouverneur/president van de Bank of England (BoE; pendant van de ECB), zei het op 23-10-2012 nog zo: “When banks extend loans to their customers, they create money by crediting their customers’ accounts.” Zoals hiervoor reeds is aangegeven, vormt dat niet het hele verhaal. Ook de Britse krant The Guardian laat er, blijkens een 12-03-2013 gedateerd artikel van de hand van professor Jem Bendell, geen gras over groeien: “This monetary system also means that although individually we might pay off our debts, collectively we are in debt forever, paying interest to the banks.”, waarvan akte!; (http://www.theguardian.com/sustainable-business/alternative-monetary-systems-address-economic-problems).

20.
Terugkomend op de tussen eiser en gedaagde spelende kwestie, merkt eiser op dat gedaagde voormeld bedrag ad € 312.500,-, niet als eigen vermogen of vreemd vermogen (bijvoorbeeld spaargeld van anderen) op de plank had liggen, voordat eiser zich bij haar meldde voor een geldlening, zoals hiervoor uiteen is gezet. In het hypothetische geval dat eiser ook met deze stelling een bok schiet, vanwege de incorrectheid daarvan – quod, uitdrukkelijk non! -, ziet eiser een reactie van de zijde van gedaagde, op deze, volgens eiser wel correcte stelling, gaarne tegemoet. Het is waar dat employé V., die in dienst is van ING, heeft gesproken over het uitlenen van spaargelden die vaststaan (zie onder punt 27 dagvaarding), alhoewel dat eiser toch voorkomt als een ‘Catch 22-situatie’. Hoe en wat doet gedaagde dan? Gedaagde heeft eiser nimmer daarvan – lees: het niet beschikken over € 312.500,- – op de hoogte gebracht, noch heeft gedaagde kond gedaan van het feit dat eiser, zijn woning, zijn arbeidskracht en inkomsten genererend vermogen, een wezenlijk of constitutief vereiste was voor gedaagde, om de hiervoor bedoelde € 312.500,- uit het niets op haar balans te kunnen toveren. Door zich in stilzwijgen te hullen, deed gedaagde voorkomen, alsof zij dat geld al in haar portemonnee had, maar neen, zij creëerde valuta eerst op instigatie van eiser (volgens ‘procédé x’), met daarop gevolgde rentestipulatie, naast aflossingsplicht. Waarschuwing: eiser richt zijn belangrijkste en giftigste pijl op het vermeende renterecht van gedaagde, op basis van de door haar uit het niets gecreëerde valuta; het springende punt: rentebetalingsplicht, naast aflossingsplicht, op basis van eisers’ arbeidskracht en kapitaal, in ruil voor een in een computer aangeslagen €-teken en een getal (valuta), als ultieme schade en schande.

21.
Eiser heeft met voormeld bedrag een woning gekocht. Bovendien heeft eiser daarvan het genot, akkoord en correct, maar dat was vooral zijn verdienste. Gedaagde bracht € 312.500,- in existentie, bij de gratie van het bestaan van eiser, die zich in ruil daarvoor ‘beloond’ ziet met de plicht aan gedaagde, over een reeks van jaren honderdduizenden euro’s aan rente te betalen, naast aflossing. Met aflossing ‘an sich’, heeft eiser geen probleem, hoewel de hoogte daarvan wel degelijk samenhangt met artificiële bubbelvorming, zeker vanaf de eerste helft van de jaren negentig, mede onder auspiciën van en door toedoen van op winst beluste belanghebbenden bij of rondom gedaagde – hun bonus moest van hen omhoog, middels ‘the Royal – not noble! – art of money creation’; een doortrapt verdienmodel van een bank als gedaagde. Dat laatste is niet zozeer eiser’s kinnesinne, als wel een spijkerhard gegeven. Eisers’ probleem zit hem – nogmaals – thans met name in de op hem rustende renteverplichting jegens gedaagde, welke renteverplichting ook minimaal als onevenredig zwaar kan worden gekwalificeerd. Zulks klemt te meer omdat gedaagde, in geval van onverhoopte financiële malheur aan de zijde van eiser, diens woning kan uitwinnen middels gedwongen (executoriale) verkoop daarvan. Daarbij blijft eiser jegens gedaagde aansprakelijk, in het geval er sprake is van een restschuld, zonder reddende noodparachute van de Staat der Nederlanden en de belastingbetaler en er schuilt nog veel meer ‘rottigheid’ in deze constructie, maar voor hier en nu, even genoeg zo!

22.
Een mede door eiser geredde bank als ING (gedaagde), is het vooralsnog gegeven om ‘luchtgeld’, of geld uit het niets te mogen creëren – op sjiek: kredietuitzettingen -, middels het aanslaan van een geldbedrag in een digitale gegevensdrager – dat is de facto een dienst –, wat zich uiteindelijk ontpopt als een (aangeslagen) getal, met een daarvoor staand €-teken – een product; goed, of vordering op naam – en waarvoor ook nog eens van een (destijds) in een staat van onwetendheid verkerende eiser wordt verlangd, een substantieel geldbedrag (winst), onder de noemer rentevergoeding (naast aflossing). Dat verlangen van gedaagde, kan wellicht uit eenzijdig, puur zakelijk oogpunt beschouwd begrijpelijk zijn – winst is winst! -, doch dat verlangen valt, om diverse redenen, niet met goed fatsoen te rechtvaardigen, althans niet te begrijpen. Immers, zowel eiser, als andere natuurlijke personen en (andere) bedrijven, moeten wel prestaties van wezenlijke waarde leveren, ter verkrijging van hun geld/valuta (euro’s). Dit in tegenstelling tot gedaagde, die zich kan bedienen van een computer, waarin zij, als dienst, simpelweg een €-teken, met daarachter cijfers kan aanslaan, op basis van ‘procedé x’, waarna zij dat ‘bedrag uit het niets’ (product) als echt geld kan transfereren naar een bankrekening. De houder van die bankrekening wordt dan geacht dat geld, tegen een substantiële rentevergoeding – over geld uit het niets nota bene – terug te betalen aan gedaagde. Dit alles roept uit diverse hoeken van de samenleving, zowel vragen als reacties op; zie onder andere http://www.soulwoman.org/2011/11/21/tijd-voor-revolutie/. Normaliter ontvangt eiser een (uur)honorarium, in ruil voor zijn inspanningen en dát is zijn verdiende loon. Waarom zou dat, althans iets soortgelijks ook niet voor gedaagde moeten gelden, indachtig de zeer geringe inspanning die gedaagde zich heeft moeten getroosten voor het in existentie brengen van € 312.500,-, hetgeen nota bene gebaseerd is op de arbeidskracht en het kapitaal van eiser. Aldus draait het eiser met name ook om inbreng van diensten of zaken van wezenlijke waarde, met daarbij de niet onbelangrijke opmerking dat voor de rol van geldcreator, of beter gesteld valutacreator, niet direct een universitaire studie is vereist, althans in de economieboeken staat beschreven dat commerciële banken geld scheppen, althans woorden van die strekking. Welnu, dat kan eiser en de rest van de Nederlandse bevolking (voortaan) prima zelf doen; let u goed op: € 500.000.000.000.000,-, met één vinger en mag eiser ook even rente daarover vangen? Wikipedia beschrijft het begrip rente als volgt: “Rente, interest of intrest, is de vergoeding die iemand ontvangt voor het uitlenen van zijn of haar geld en die betaald wordt door degene die het geld leent.” (http://nl.wikipedia.org/wiki/Rente). Als het draait om ‘zijn geld’ of ‘haar geld’, waarom zou een bank als gedaagde dan recht kunnen doen gelden op rente over geld dat niet van haar was, maar, middels het aanslaan van een €-teken en cijfers daarachter – valuta, na ‘procédé x’ -, wel een renterecht verkrijgt, naast een voor eiser meer logisch recht op aflossing? Gelukkig gloort er licht aan het eind van, of zèlfs in de ‘duistere bankentunnel’, mede in de vorm van twee televisie-uitzendingen van TROS Radar, over ‘de schuldvraag’, die zullen volgen op 23 en 30-12-2013, welke uitzendingen, zo hoopt eiser, de ogen van velen onder ons, echt zullen openen en boel echt op ‘positieve stelten’ gaat zetten. Immers, het instituut ‘bank’ – ook geen bank in de zin van artikel 1:1 Wft -, als speeltje van gesjeesde zakenlieden, moet grondig en definitief op de schop worden genomen. Daarin kunnen (en moeten) ook de Nederlandse regering en de Staten-Generaal het voortouw nemen, waarbij zij de oren minder afwachtend moeten laten hangen naar een tot op het bod verdeeld ‘Europa’, dat in haar huidige hoedanigheid sowieso een ‘aflopende zaak’ is, zeker nu een ‘anders nóóit gekozen president van Europa’, onlangs de ‘Karelsprijs van Aken’ mee naar huis mocht nemen. In dat licht heeft eiser groot respect voor ‘die SP’ers onder punt 11’, die ‘the guts’ hadden, aan de kaak te stellen, iets ‘authentiek onrechtvaardigs’ als artikel 1:1 Wft, de facto het beste, ook door ‘eisers’ Europa’ beschermde bankaandeel ooit, althans het allerbeste wat een ‘economic hitman’ – arbeids- en kapitaalusurpator – als een commerciële bank, kon overkomen. Daarbij tornt eiser niet aan de (formele) democratische legitimatie van dat artikel, maar wel aan daaraan verbonden ongewenste gevolgen, waaronder ‘collateral damage’ als rentestipulatie, of – nog grimmig-kolderieker – rentemanipulatie, door commerciële banken, die gewoon mogen blijven voortwoekeren en niet als criminele organisaties ex 140 Sr. aan de dijk worden gezet, zoals andere criminele organisaties! Eiser beseft dat dit zou kúnnen worden opgevat als zijnde grote woorden, maar naar zijn mening, zijn deze woorden niet meer dan nietige stofjes in ‘het universum van de gewezen, huidige en komende bankschandalen, onder het toeziend oog van een vleugellam Europa’. Laten ‘we’ gewoon eerlijk en wel wezen, als de Libor-affaire – rentemanipulatie over de ruggen van en ten koste van anderen -, echt het allerlaatste ‘spastisch bankcolon’ was, dan dient deze dagvaarding als niet geschreven te worden beschouwd en hangt eiser zijn (gehuurde) advocatentoga subiet aan de wilgen.

23.
De reden waarom het bedrijf van gedaagde niet in staatshanden is gevallen, is gelegen in het feit dat wij – ook eiser –, ons vooralsnog als makke schapen hebben laten ‘corneren’, waarbij wij ‘too big to fail’ lijken – ja, lijken – te zijn, waarbij gedaagde in zekere zin op ons – ook op eiser – ‘leeft en teert’ en moet ‘(voort)leven en -teren’ als die aristocratische vampier uit Transsylvanië, waarbij gedronken bloed van mensen, zou kunnen worden vervangen door: geüsurpeerde arbeidskracht/-inzet en het kapitaal van mensen, of geleverde diensten en zaken van wezenlijke waarde. Aldus is het ‘bestaan’ van gedaagde voor het overgrote deel gestoeld op andermans levenskracht of energie, waarbij gedaagde met haar ‘bad and cheap tricks’, beslist geen wezenlijke bijdrage levert aan een betere en duurzamere wereld. De ‘wereld’ is beter af zonder gedaagde in haar huidige gedaante. Alsof eiser niet de ‘gave’ of het ‘talent’ heeft om een geldbedrag in een digitale gegevensdrager aan te slaan (op basis van ‘procédé x’) en dat te ‘verkopen’ tegen aflossing én rente. Eiser wil niet roomser zijn dan de paus, maar deze toestand zou eenieder te denken moeten geven. Leviticus 25:37: ‘Onthoud dat goed: geen rente! Geef hem wat hij nodig heeft uit uw eigen beurs; probeer geen voordeel te behalen!’ Deze stelling is in zoverre achterhaald, dat deze zou moeten luiden: ‘Onthoud dat goed: geen rente! Geef hem wat hij nodig heeft uit uw eigen beurs; probeer ook geen rentevoordeel te behalen door digitale geldcreatie uit het niets, op basis van ‘procédé x’, laat helemaal staan door digitale geldcreatie uit het niets zonder dekking!’ Citaat uit http://nl.wikipedia.org/wiki/Rente: “In de Middeleeuwen was het christenen verboden rente te heffen, wat leidde tot de positie van joden als bankiers en geldverschaffers. Ook joden zelf was het in principe niet toegestaan rente te heffen, maar dit renteverbod gold niet wanneer zaken werd gedaan met niet-joden. Filosofen als Plato en Thomas van Aquino hebben zich eveneens tegen rente uitgesproken, alsmede de economische ‘goeroe’ achter de NSDAP, Gottfried Feder.” Naar de bescheiden mening van eiser, lijken velen deze ‘steen der wijzen’ overboord te hebben gegooid, althans te zijn vergeten, of niet te kennen. Eiser noemt dat doodzonde en wel een dusdanige doodzonde, dat zelfs nazi’s die niet wilden begaan. Zij wisten inderdaad wel beter…

24.
Wat daar verder ook van zij, in het huidige tijdsgewricht biedt schermen met de Bijbel, zeker in de Westerse wereld, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, weinig tot geen soelaas. Inmiddels heeft gedaagde eiser schriftelijk gewezen ‘op zijn contractuele verplichting om rente te betalen’. Echter, gedaagde dient zich zo langzamerhand wel te realiseren dat zij vóór contractsluiting, jegens eiser in het geheel geen open kaart heeft gespeeld. Eiser doelt dan ook op wijze waarop gedaagde het bedrag ad € 312.500,- toen tot digitale wasdom zou laten komen (procédé x’), of anders gesteld, het ontbreken van beschrijving daarvan. Gedaagde (ING Bank N.V.), althans haar personeel, heeft deze wetenschap nimmer gedeeld met eiser, die ten tijde van de contractsluiting ook beslist niet op de hoogte was van de wijze waarop zij aan haar geld kwam, namelijk middels het aanslaan van € 312.500,- in een digitale gegevensdrager. In dat kader refereert eiser aan de volgende uitspraak van de gewezen grootindustrieel Henry Ford: “Als de massa snapt hoe het geldsysteem werkt, heb je morgen een revolutie.” Mede indachtig deze uitlating van Ford, had gedaagde eiser van haar in wezen wetteloze praktijk van digitale geldcreatie uit het niets, alsmede het door haar bewandelde traject daarvóór – een nog wettelozer praktijk -, op de hoogte moeten brengen. Bovendien had gedaagde van tevoren, op zijn minst aan eiser moeten melden dat de afspraak ook zou zijn: ‘mijnheer Van de Waarsenburg, het volgende moeten wij u beslist mededelen, of u nu haast heeft, of niet: wij transfereren naar uw bankrekening, geld dat wij niet hebben, althans niet hadden. Het is digitaal geld – valuta -, zonder onderliggende dekking, dat wij, volgens ‘procédé x’ – volgt uitleg van ‘procédé x’ – digitaal uit het niets creëren, over welk digitaal uit het niets gecreëerd geld – valuta-, wij van u een rentevergoeding verlangen, naast uw aflossingsverplichting uiteraard, wat u, als jurist, misschien vreemd in de oren klinkt, snapt u wel, want wij snappen het niet’, althans woorden van die strekking; zie ook de punten 10, 26, 27, 28, 29 en 48 van deze dagvaarding. Eiser snapt het nu ‘wel iets beter denkt hij’, althans ook in zijn geval was er sprake van een ‘dienst’, in de vorm van een gecreëerd bedrag op eisers’ bankrekening (op basis van ‘procédé x’), welk bedrag – uiteindelijk – (in de goederenrechtelijke sfeer), lijkt te kunnen gekwalificeerd als een ‘goed’, zijnde een vordering op naam; vordering van eiser op gedaagde (in ruil voor rente en aflossing en, not to forget, diverse, door gedaagde aan eiser in rekening gebrachte kostenopslagen van een vaag allooi, zeker wanneer het gehele, door gedaagde achtergehouden en kennelijk ook door haar (eigen) personeel onbegrepen plaatje, in ogenschouw wordt genomen.

25.
Eiser wilde graag weten hoe het de kennis van voormelde materie, van hen dichterbij het vuur is gesteld. Daarbij kwam eiser tot min of meer verrassende ontdekkingen. Deze ontdekkingen kwalificeert eiser, zeker met zijn kennis van nu, als bizar, omdat zelfs (gekwalificeerd) bankpersoneel kennelijk niet weet, althans niet, of niet scherp genoeg voor ogen heeft, hoe het geld-/valuta- en rentesysteem in elkaar steekt. Daarmee wil eiser ook benadrukken, dat het hem niet euvel kan worden geduid, dat het hem ook in 2010 ontbrak aan kennis van de door gedaagde gevolgde werkwijze als hypotheeknemer en schepper van geld uit het niets, volgens een (ook) eiser onbekende procedure (‘procédé x’), zonder onderliggende dekking, over welk geld dat zij (gedaagde) niet had, wel een substantiële rentevergoeding verlangt.

26.
Op 19-08-2013 heeft de heer V., werkzaam als adviseur hypotheken, in dienst van gedaagde, aan eiser telefonisch het volgende medegedeeld (transcript van een deel van het gevoerde telefoongesprek): (V.) ”Op het moment dat een hypotheekaanvraag gedaan wordt…, laten we zeggen…, die drie ton is een mooi voorbeeld, eh… ING leent als bank geld uit op basis van spaargelden die vaststaan (!?!?; PW), want zo werkt het…, zo heeft het altijd gewerkt bij banken, kleine banken, grote banken. Banken hebben tuurlijk bepaalde kapitaal… Dat zit deels ook in spaargelden… Er wordt ook geld uitgeleend weer. Eh, in het verleden is het zo geweest dat banken, eh, nog wel eens, eh, een hypotheek gingen verstrekken, en, eh terwijl dat geld, daar, daar, laten we het zo zeggen, daar even niet in spaargelden tegenover stond. Wat banken doen dus dan, dan gaan banken bij elkaar onderling lenen. Recent, laten we zeggen, de afgelopen jaar…, heeft de minister daar ook maatregelen tegen getroffen, da’s wereldwijd zo geweest, is gezegd van nou, in Nederland is het zo dat banken niet meer mogen uitlenen dan ze ook hebben. Dat is eigenlijk, om dat leenverkeer tussen banken tegen te gaan. In het verleden gebeurde dat wel, tegenwoordig gebeurt dit niet meer.” Tijdens dit telefoongesprek werd namens gedaagde met geen woord gerept over de wel degelijk door haar gebezigde praktijk van geldcreatie uit het niets. Tijdens voormeld telefoongesprek heeft eiser tegen de heer V. gezegd: “Er is niet achteraf een funding gezocht?”, waarop V. heeft geantwoord: “zo ver reikt mijn kennis niet”.

Eiser dankt V., voor de, volgens eiser, door hem gedebiteerde onjuistheden, vaagheden, of halve waarheden alsmede voor zijn bereidheid de tijd te nemen om inhoudelijk antwoorden te geven op vragen. Wat daar verder van zij, op 21-10-2010 – datum contractsluiting – en ver daar na, wist ook eiser van toeten noch blazen wat betreft het onderwerp banken en de door haar gebezigde praktijk van digitale geldcreatie (uit het niets), zonder onderliggende dekking, met een daaraan gekoppelde stipulatie van het recht op rente over digitaal geld uit het niets. V. van de ING kwam er kennelijk niet meer (of voor) uit, want als eiser hem moet geloven “heeft men in het verleden wel eens hypothecaire leningen verstrekt zonder dat daarvoor de spaargelden aanwezig waren, maar dat gebeurt niet meer.” Dank je de koekoek, het is vanzelfsprekend dat banken dat ‘niet meer doen’ als ze volledig zijn vastgelopen door hun ‘geldschepping uit het niets praktijk’. De enige reden waarom banken – op hún winst gerichte entiteiten – ermee zullen stoppen, is als ze onraad percipiëren in de huidige markt. Dáárom is de kredietverlening aan met name particulieren en het midden- en kleinbedrijf ingezakt, niét als gevolg van sturend optreden van de centrale banken, want dat doen deze instellingen niet. Centrale banken zijn veel meer volgend dan sturend. In het huidige tijdsgewricht zijn commerciële banken afhankelijker geworden van steun van de centrale banken als gevolg van hun bewezen kamikaze politiek. Daardoor lijkt het alsof centrale banken meer invloed hebben op de commerciële banken, maar dat is slechts ‘for the time being’, want zodra de marktverhoudingen zich weer ten goede zouden keren (…) dan wordt de bekende praktijk weer volledig opgepakt. Immers banken kun je lastig betichten van adequaat zelfreinigend vermogen.

27.
Op 26-08-2013 heeft eiser gesproken met Master of Science (MSc) P., medewerker Informatiedesk bij De Nederlandsche Bank (DNB). Hierna volgt een deel van het transcript, van het tussen eiser en zijn kroongetuige P. gevoerde telefoongesprek: (P.) “geldcreatie is niet iets wat, wat door commerciële banken…, dat is geen activiteit wat door commerciële banken wordt uitgevoerd (…) Nee, dat is dus uiteraard niet de bedoeling dat een bank zo even twee ton uit het niks, eh…, op zijn of haar balans zet (‘bookkeeping entry’; PW). Kijk, zo, zo zit het systeem uiteraard niet elkaar.” Op eisers vraag: “Ik kan er gewoon vanuit gaan dat ING Bank niet eerst geld creëert en pas later op zoek gaat naar een funding”, heeft P. geantwoord: “nee, nee, zo, zo zit het systeem niet in elkaar. Dat wordt zo niet gedaan”. Eiser bedankt P. hartelijk voor zijn welwillende uitleg, die naar de mening van eiser evenwel niet strookt met de wijze waarop gedaagde haar bedrijf uitoefent, namelijk het creëren van geld uit het niets, op basis van ‘procédé x’, zonder onderliggende dekking. Een citaat uit het hiervoor vermelde vonnis van de rechtbank (vredegerecht) Minnesota onderschrijft de stelling van eiser: “Plaintiff (the bank) admitted that it, in combination with the Federal Reserve Bank of Minneapolis, which are for all practical purposes, because of their interlocking activity and practices [are one entity]…did create the entire $14,000 in money or credit upon its own books by bookkeeping entry…The money and credit first came into existence when they created it…a lawful consideration must exist and be tendered to support the note.” (productie 1).

28.
Op 12-11-2013 heeft eiser nogmaals telefonisch gesproken met voormelde MSc P., van De Nederlandsche Bank. Op de stelling van eiser dat, volgens hem, in de Wet financieel toezicht (Wft) is gedefinieerd wat een bank is en hoe een bank werkt, reageerde P. als een draaiend, althans half draaiend blad aan de boom: (P.) “Volgens mij staat dat inderdaad in de Wft ook vermeld”. Ook gaf P. eiser te kennen dat hij niet weet of banken geld creëren uit het niets. P.: “Maar goed, kijk, wat ik aangeef vanuit logisch redeneren, hè, zeg ik nu dat het niet mogelijk zou moeten kunnen zijn dat een bank zomaar vanuit het niks geld kan creëren door een euroteken in te tikken en, en daar wat, wat cijfers achter plaatsen, maar uitsluitsel geef ik daar niet over.” Op de vraag van eiser: “Maar goed, u weet het ook niet zeker, daar komt het op neer”, gaf P als antwoord: “Inderdaad, daar komt het op neer”. P. kon, of wilde toen ook geen uitspraken (meer) doen met betrekking tot de door gedaagde beweerde, door ING gepraktiseerde geldcreatie uit het niets. P.: “Ik kan daar geen antwoord op geven”. P. adviseerde eiser ‘wat dat betreft een e-mailbericht te sturen dat aangaande, zodat daarover inhoudelijke informatie kan worden gegeven’. Volgens P. zou hij dat moeten uitzoeken om daar een sluitend antwoord op te kunnen geven. P.: “Op onze website zelf kunt u wat informatie vinden met betrekking tot de definitie van banken”. Dat laatste is juist; zie wederom http://www.toezicht.dnb.nl/2/50-201916.jsp, met de aantekening dat digitale geldcreatie uit het niets, zich ook niet verdraagt met de op die webpagina vermelde definitie van een bank. Let op, ook op de website van DNB is er sprake van een groot ‘zwart gat’ als het aankomt op een duidelijke beschrijving van het proces bij een bank als gedaagde, welk proces leidt tot het aanslaan van een geldbedrag in een digitale gegevensdrager, laat staan dat DNB op haar website komt een wettelijke encadrering daarvan en ja, er zijn Bazel Akkoorden en er zijn CRD’s, maar die zien niet op het wettelijk(?!) gesanctioneerde(?!) proces van geldschepping van A tot Z, bij eiser bekend als ‘procédé x’.

29.
Eiser viel van zijn stoel van verbazing en krabbelde weer op, met een mond die openviel van verbazing, naar aanleiding van een voor zichzelf sprekende ‘Kung Fu à la Eric Cantona act’, tegen voormelde V. (van ING) en P. (van DNB), die kwam uit wel heel onverwachte hoek, namelijk uit die van gedaagde (http://www.youtube.com/watch?v=JFsW6vvBwHk).

Dat zit zo… Onlangs deed de Stichting Ons Geld (zie: https://www.facebook.com/stichting.onsgeld), eiser toekomen, de volgende recente reactie van medewerker X – eiser kent zijn voor- en achternaam -, van ING Group/Corporate Communications.

(reactie X, van ING Group / Corporate Communications)

“Geachte heren,

Met excuses voor de vertraging hieronder onze reactie op jullie vragen:

1. Is het voor de ING noodzakelijk om te wachten op spaargeld van spaarders om dit vervolgens uit te kunnen lenen aan klanten?

Nee, dit hoeft niet. Hoewel spaargeld op macroniveau een belangrijke bron is van zogeheten funding voor het uitzetten van kredieten (zoals bijvoorbeeld hypotheken of bedrijfsfinancieringen) is het niet zo dat we voor iedere euro spaargeld apart gaan bekijken waar we deze zouden kunnen uitlenen; of andersom, dat we pas een nieuwe lening uitschrijven als er een nieuw deposito binnenkomt. Wet- en regelgeving is hier leidend, bijvoorbeeld de gestelde regels rondom de minimale kapitaalratio’s van banken. De dagelijkse fluctuaties van de bezittingen en verplichtingen van de bank worden in goede banen geleid door de afdeling Treasury.

2. Creëert de ING nieuw geld wanneer ze leningen verstrekt aan klanten.

Ja. Wanneer banken een lening verstrekken aan klanten dan wordt er nieuw geld gecreëerd. Op de bankbalans verschijnt op de bezittingenkant een claim van de bank op de klant, dit is de lening zelf. Aan de verplichtingenkant van de bankbalans verschijnt een deposito, dit is de corresponderende claim van de klant op de bank. Het deposito is geld, en de creatie van het deposito is dus geldcreatie. Wanneer de lening wordt terugbetaald verdwijnt het deposito, en daarmee het geld weer uit het system. Vanzelfsprekend gebeurt dit altijd binnen de gestelde kaders van de wet- en regelgeving. Dit is overigens niets bijzonders: ongeveer 90% van de totale geldhoeveelheid in de economie bestaat uit deposito’s en andere verplichtingen van banken.

3. Kunnen burgers bij de ING Bank in girale vorm door de DNB/ECB gecreëerd geld aanhouden?

Nee. Het moderne monetaire stelsel is hier niet op ingericht. De centrale bank geeft twee verschillende soorten geld uit: 1) chartaal geld: munten en bankbiljetten. Deze kunnen door iedereen gebruikt worden. 2) Daarnaast kunnen banken ook deposito’s aanhouden bij de centrale bank. Maar deze deposito’s tellen niet mee als maatschappelijk geld, omdat er alleen interbancair mee wordt afgerekend (het wordt daarom ook wel “centrale-bankgeld” genoemd). Burgers kunnen er dus niets mee. Burgers kunnen ook geen rekening aanhouden bij de centrale bank. En in het verlengde daarvan kunnen burgers ook geen rekening aanhouden bij ING met “door DNB gecreëerd geld”. Dat is ook niet nodig: bancaire deposito’s zijn wettelijk geaccepteerde vormen van geld, en zijn te allen tijde in chartaal geld inwisselbaar.

Hopelijk kunnen jullie met bovenstaande antwoorden uit de voeten, mochten jullie vragen en/of opmerkingen hebben neem dan gerust contact met me op.

Hartelijke groeten,
X.

ING Group / Corporate Communications
AMP C.03.005, Bijlmerplein 888, 1102 MG Amsterdam
P.O. Box 1800, 1000 BV Amsterdam
M +31 (0)6 1XXXXXX T+31 (0)20 5XXXXXX
E xxxx.xxxx@ing.com
W http://www.ing.com”

Eiser is absoluut niet ‘bien cuit’, als het aankomt op kennis van financiële zaken, maar ‘gelukkig’ geldt datzelfde voor (een aantal lieden van) gedaagde/ING en DNB, dus als eiser wat dat betreft verwijten naar het hoofd worden geslingerd, is er sprake van een ‘pot die de ketel verwijt dat hij zwart ziet’.

Wat eiser met name opvalt aan het verhaal van voormelde X – ook gedaagde weet, althans kan weten wie hij is -, dat er zijdens gedaagde kennelijk sprake is van de praktijk van geldcreatie uit het niets (tegen rente en aflossing), zònder dat daartegenover spaargelden hoeven te staan en zònder dat er sprake hoeft te zijn van een 100% dekking, verre van dat! Voormelde X geeft aan dat er sprake is van regelgeving rondom deze dekking – gestelde minimale kapitaalratio’s -, welke regelgeving, naar de mening van eiser, uitzicht geeft op ‘een van de grote reuzen op de kleinste lemen voeten’, waarmee eiser ook bedoelt aan te geven dat minimale kapitaalratio’s een eufemisme is voor ‘creatief boekhouden on death row’ en ‘wij’, ook de Nederlandse samenleving, verblijft daar al enige tijd, geen smoesjes. Met dat laatste bedoelt eiser ook aan te geven dat ‘minimale kapitaalratio’s’ op zijn minst een arbitrair begrip is, welk begrip op de laatste plaats iets zegt over bijvoorbeeld de (financiële) levensvatbaarheid van een bank als gedaagde, zeker ‘on the long(er) run’. Naar de mening van eiser – hij is financieel slecht onderlegd, en vaart vooral op zijn boerenverstand -, is ook gedaagde in financieel opzicht een ‘stervende patiënt in denial’, die moed wordt ingesproken door ‘geestelijk vader BIS’, in de vorm van het deksel op ‘ons aller doos van Pandora’, althans de Bazel (of Basel) III akkoorden, als (laatste) Heilige Sacrament der zieken. Laat eiser het vooral simpel (voor zichzelf) houden: zou aan een bedrijf als gedaagde een krediet worden verstrekt, op basis van de standaardnormen die gelden voor andere onderneming dan die van gedaagde? Het antwoord daarop luidt: neen, neen en nog eens neen en wel op basis van gedaagdes’ eigen vermogen van (veel) minder dan 5%. Om die reden is er gekozen voor ‘uitstel van executie’, althans een ‘vlucht vooruit’, in de vorm van mede door ‘Europa’ gesanctioneerde ‘Bazel III window dressing’, waardoor en waarvoor bankleiding en -aandeelhouders nog steeds grof betaald worden. Als eiser ook op dit punt onzin uitkraamt, verneemt hij dat te zijner tijd wel van gedaagde, maar vergeet daarbij dan niet duidelijk te maken dat Bazel III, een de facto vooral een door de Kredietcrisis ingegeven politieke keus (van een elitair, ‘ondemocratisch’ select gezelschap) is, hoofdzakelijk ten faveure van de commerciële banken, welke keuze evenwel niet strookt, of in de pas loopt, met wat ‘wij’ hier in Nederland noemen: ‘goed koopmanschap’. Dat goede koopmanschap – dat wil zeggen: een eerlijke of reële waardering van bezittingen en verplichtingen van een onderneming, zou evengoed voor een bank – een onderneming – als gedaagde moeten gelden, of bazelt eiser ook hier maar wat en waarom mag een onderneming als gedaagde wel haar boetes fiscaal aftrekken, op kosten van uitgemolken belastingbetalers, tot welke groep eiser ook behoort? Ook deze dynamiek – gedaagde is in het verleden meerdere malen beboet -, behoort naar de smaak van eiser, een ander effect te hebben, op de uiteindelijk tussen gedaagde en hem gecreëerde rechtsverhouding, die ook over die boeg, gespeend is van redelijkheid en billijkheid (ten nadele van eiser). Kortom, hoe meer eiser leest, hoort en weet, hoe krankzinniger en onverkwikkelijker de hele situatie rondom het vooralsnog zichzelf boven de markt en de mens stellende bankwezen – ‘the zombie of our time’ – wordt. Uiteraard mag gedaagde eiser, ook op dit punt, van repliek dienen, waarop eiser volgaarne wil dupliceren

Voorts wordt onder punt 2 van de hiervoor vermelde reactie van X, ten onrechte betoogd, dat het geld uit het systeem verdwijnt, wanneer de lening wordt terugbetaald aan de bank. Dat is, ook naar de mening van eiser, klinkklare nonsens. Weliswaar verdwijnt het deposito (hèt geld) bij de bank, maar dàt geld verdwijnt niet uit het systeem. Immers, op basis van dat deposito kon deze bank, of een andere bank – op basis van het systeem van fractioneel reserve bankieren, (wederom) een veelvoud van dat destijds geplaatste deposito in omloop brengen (=dàt geld), middels geldcreatie uit het niets. Kortom, er komt (op die manier) steeds meer geld (=dàt geld) in omloop, dat in tegenstelling tot het deposito (hèt geld) niet verdwijnt. Dàt geld – die toename van ‘bits and bytes geld’ -, noemt eiser gemakshalve maar een ‘ripple effect’, dat vroeg of laat (wederom) ook eiser problemen gaat bezorgen, waarbij van eiser niet kan worden verwacht, dat hij weet welke problemen dat precies zijn; ‘a race to the bottom’, in de vorm van geldontwaarding die niet (meer) wordt gecompenseerd?! Omdat eiser daar ook wel graag ‘van af wil wezen’, betitelt hij dat effect vooralsnog als een ‘financieel Fukushima’, alias een gevalletje ‘sluipschade’, die de nogal onhebbelijke gewoonte heeft, zich op een dag plotsklaps te manifesteren als ‘elephant in the room’.

Wat hier verder ook van zij, ter voorkoming dat eiser het in meerdere opzichten allemaal te veel wordt – zijn vader heeft hem daarvoor – terecht – gewaarschuwd; “Jongen, ga toch leuke dingen doen!” -, wenst hij – nogmaals – in deze dagvaarding vooral te benadrukken, het aspect rente, over een geldsom uit het niets, welke rente – de rentesom, in veel gevallen de uit het niets gecreëerde geldsom overstijgt, zeker in gevallen waarin er sprake is van langjarige (hypotheek)leningen. Voorzover gedaagde weg wil schieten in de hoek: de rente kan stijgen en de waarde van het onderpand kan stijgen, brengt eiser daar ook tegen in, het verdienmodel van een entiteit als gedaagde, in relatie tot het verdienmodel van eiser en andere rechtssubjecten. Namens ING Group / Corporate Communications, lijkt X een adequate omschrijving te geven van het verdienmodel van gedaagde. X stelt in zijn reactie: “Wanneer banken een lening verstrekken aan klanten dan wordt er nieuw geld gecreëerd. Op de bankbalans verschijnt op de bezittingenkant een claim van de bank op de klant, dit is de lening zelf. Aan de verplichtingenkant van de bankbalans verschijnt een deposito, dit is de corresponderende claim van de klant op de bank. Het deposito is geld, en de creatie van het deposito is dus geldcreatie.”

Dáárom – dáárom – ziet eiser niet in dat geld (valuta), dat een andere entiteit dan een bank als gedaagde wel met een wezenlijke inspanning moet verwerven, door hier en daar en links en rechts wat drukken op knoppen, kan worden verdiend in de vorm van rente – geld verdienen, over geld uit het niets; gênant! -, alias winst van de bank en dáárom – dáárom – ligt het veel meer in de lijn van onder andere – onder andere – de civielrechtelijke goeder trouw, om tegenover die geld-/valutacreatie en daarmee samenhangende inspanningen daarvoor en daarna, een redelijk en billijk (uur)honorarium te stellen, in plaats van een rentebedrag dat de geleende hoofdsom in veel gevallen overstijgt; stop deze ‘horrorshow’ a.s.a.p.

30.
Bij schrijven d.d. 21-08-2013 is namens gedaagde gesteld: “Hoe ING de funding van gelden (níet haar gelden, níet haar funding en níet haar reserves; PW) regelt, is geen zaak van de geldnemer” (productie 3). Eiser – nota bene een cliënt van gedaagde! – betitelt deze stelling als flagrant arrogant en niet minder dan ongepast, mede indachtig haar – pseudo geld- en rentespecialist/-lost – omstreeks in het seizoen 2008-2009 verdiende ‘definitieve brevet van onvermogen’, in de orde van de meest letterlijke tot de meest figuurlijke zin en niet te vergeten, de door eiser opgevangen uitlatingen van een aantal van haar ondergeschikten. Met zo’n ‘absoluut voor bij- of omscholing in aanmerking komende kluit van belazering’, kan en mag gedaagde zich niet in het riet laten sturen.

31.
Ook eiser kan vooralsnog niet (goed) de vinger krijgen achter het proces van geldcreatie (‘procédé x’), zoals zich dat binnen de gelederen van gedaagde heeft voltrokken. In geen wet lijkt uitdrukkelijk te zijn geschreven, dat het een bank als gedaagde, is toegestaan om digitaal geld uit het niets te creëren, noch is beschreven een daaraan voorafgaand ‘procédé x’. Ook onvindbaar in de wet is het vermeende recht, om éérst daarná een dekking daarvoor te zoeken, noch staat in de wet beschreven dat het een bank als gedaagde is toegestaan, naar eigen goeddunken rente (tot een wel wettelijk omschreven riante bovengrens; tot wel 16%) daarover te bedingen, laat staan dat de wet gewag maakt van het mede gedaagde toekomende recht om rente over digitaal uit het niets gecreëerd geld te bedingen; niet bestaand geld (rente), over initieel niet bestaand geld, op (een) basis van niets, althans op (een) basis van niets en iets, alias een fractie. Indachtig empirisch door eiser ervaren ondeskundigheid bij haar personeel alsmede personeel van DNB, had gedaagde, vooraleer hij contactsluiting overging, moeten uitleggen, dat haar dienst, onder andere bestond uit geldcreatie uit het niets, op basis van ‘procédé x’, en dat er over het na die dienst ontstane valutasaldo op de rekening van eiser – een gecreëerd goed, in de zin van het BW – , rente zou worden geheven, naast de op eiser rustende aflossingsverplichting. Als eiser te vaak in herhalingen vervalt, is dat de schuld van gedaagde.

32.
Áls het hiervoor beschreven ‘procédé x’, er een is dat goed of slecht wordt beschreven in de economieboeken, dan is dat voor eiser een ontluisterende vaststelling, die haar weg naar ‘zijn oppervlakte’ voor eens en altijd heeft gevonden. Daarbij dient de aantekening worden gemaakt dat een economieboek, geen wetboek en jurisprudentie is en vice versa. Gedaagde moet eiser ook daarover alsnog opheldering verschaffen, in plaats van zich eventueel te verschuilen achter kapitaalseisen e.d., die (ook) niets zeggen over ‘procédé x’ en die tevens niets zeggen over rechtmatigheid, waaronder de redelijkheid en billijkheid, van het door eiser gewraakte, door gedaagde ingeroepen recht op een door eiser te betalen rentevergoeding, op basis van een afspraak, waarvan ook haar (eigen) personeel en personeel van DNB de portee niet (door)ziet/-zag.

33.
Zeker in de huidige wetenschap, kan eiser niet (meer) plaatsen, laat staan akkoord gaan met gedaagdes’ stelling ‘dat het hem (eiser) niets aangaat hoe zij (gedaagde) aan haar geld (valuta) komt’, maar daarmee kan en wil een ‘wet- en rechtzoeker’ als eiser, geen genoegen nemen. Eiser verlangt van gedaagde een puntsgewijze en gemotiveerde uitleg – eindelijk! -, op welke concrete rechtsregels haar gedraging en (rechts)positie jegens eiser waren en zijn gestoeld, met daarbij het vriendelijke verzoek er dan geen economieboeken of -lessen bij te halen, of te verwijzen naar de wetgever ‘die het maar moet oplossen’, waarbij zij al helemaal niet moet wegvluchten in de hoek ‘zo ging en gaat het nu eenmaal ‘, in het kader van ‘consuetudo est altera natura’. Ook in het geval van eiser, lijkt het er veeleer op dat gedaagde (ING Bank N.V.) de funding van gelden heeft geregeld, door eiser, ook in het kader van ‘procédé x’, zijn huis, zijn andere kapitaal en zijn verdienvermogen (arbeidsinzet!), als onderpand te gebruiken, op basis waarvan gedaagde in de gelegenheid werd gesteld van € 312.500,- aan te slaan in een digitale gegevensdrager, waarvoor zij van eiser, als klap op de vuurpijl, een aanzienlijke rentevergoeding verlangt. Dit is geschied, naast, of op basis van de wetteloze praktijk van creatie van geld uit het niets, zonder bijbehorende onderliggende dekking. In de hiervoor aangehaalde brief is ook te lezen: ‘Met de hypotheekovereenkomst verplicht ING zich als hypotheeknemer en geldgever om het gevraagde hypotheekbedrag beschikbaar te stellen.’ De waarheid wordt meer recht gedaan, als ING in plaats daarvan zou hebben aangegeven: ‘met de hypotheekovereenkomst verplicht ING zich als hypotheeknemer en schepper van geld uit het niets (luchtgeld), om dat uit het niets geschapen geld, welk geld aanvankelijk niet geënt is op een onderliggende dekking (funding), als gevraagd hypotheekbedrag beschikbaar te stellen, over welk uit het niets geschapen geld door ING een substantiële rentevergoeding wordt verlangd, naast aflossing, althans woorden van die strekking’. De relatie bank-lener, wordt somtijds omschreven als ‘wederzijdse schuldaanvaarding’. Wederzijdse schuldaanvaarding (ook, of alias digitale geldschepping uit het niets): de bank heeft een plicht gekregen jegens de lener, omdat de bank geld beschikbaar moet stellen en de lener is verplicht dat geld op termijn terug te betalen. Echter, dat dekt niet de hele lading. Immers, eenieder zou kunnen beseffen en betogen dat een bank, bijvoorbeeld gedaagde, kennelijk zélf een schuld maakt, vóór het maken van andermans schuld, of, wat houdt ‘procédé x’ precies in? Daarbij kan worden aangetekend, dat een bank, in tegenstelling tot de andere schuldenaar (bijvoorbeeld eiser), paradoxaal genoeg profiteert van haar eigen schuld, in de vorm van een substantiële rentevergoeding – a free lunch -, naast de meer begrijpelijke aflossing. Eiser weet het goed, althans beter gemaakt, laat gedaagde ook eiser eindelijk eens duidelijk maken, dat zij dat doet, hoe zij dat doet en op welke wettelijke leest ‘dat wat zij doet en hoe zij dat doet’ is geschoeid.

34.
In haar brief d.d. 24-10-2013 (productie 4), verwoordt ING het door eiser bij zijn schrijven d.d. 22-08-2013 jegens haar ingenomen standpunt: “Uit uw relaas maken wij op dat u zich niet kunt vinden in de wijze waarop de financiële wereld in elkaar zit en functioneert. Het financiële systeem waarin banken als geldscheppende instelling een spilfunctie vervullen, is georganiseerd conform wettelijke richtlijnen en boekhoudkundige vereisten en staat onder toezicht van onder meer De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten. Om als bank leningen te mogen verstrekken dient de bank aan liquiditeits- en solvabiliteitseisen te voldoen. Bovendien is in de wereld alom aanvaardt (sic; PW) hoe de financiële markt functioneert en is georganiseerd. Het aanpassen van het financiële systeem zal door de wetgevers moeten worden geïnitieerd.” In voormelde brief van 24-10-2013, geeft gedaagde eiser bovendien te kennen: “U bent met het ondertekenen van de hypotheekakte waarvan de akte van geldlening deel uitmaakt, de verplichting aangegaan om de hypothecaire geldlening met de overeengekomen rentevergoeding terug te betalen. Wij zien op grond van hetgeen u stelt, geen aanleiding om af te wijken wat wij met u zijn overeengekomen.” Dat komt eiser, met al zijn bijeengesprokkelde wetenschap, voor, als een redenering die veel te kort door de bocht is. Eiser ontkent en betwist uitdrukkelijk dat er, in die context, geen reden is om af te wijken wat gedaagde met hem is overeengekomen.

35.
In deze kwestie draait het ook om de door gedaagde opgeworpen stelling: ”Om als bank leningen te mogen verstrekken dient de bank aan liquiditeits- en solvabiliteitseisen te voldoen. Bovendien is in de wereld alom aanvaardt (sic; PW) hoe de financiële markt functioneert en is georganiseerd. Het aanpassen van het financiële systeem zal door de wetgevers moeten worden geïnitieerd.” (productie 4). Daarmee schuift gedaagde haar (eigen) verantwoordelijkheid, die zij over diverse boegen heeft, af op de ‘fata morgana’ die wordt omschreven als, ‘een door de wetgevers aan te passen financieel systeem’. Op de keper beschouwd, past bij zo’n nietszeggende reactie een staat van een onmetelijk diepe droefheid. Naar de smaak van eiser, getuigt deze ook van voldragen arrogantie waar de honden geen brood van lusten. Dit ‘speelkwartiertje’ had beter al lang, althans in het seizoen 2008-2009 tot de ondergang, althans tot de degradatie van gedaagde moeten leiden. Nu, de facto met hulp van onder anderen eiser, dat niet is geschied, wordt het wel de allerhoogste tijd voor een allesomvattende, althans meer omvattende inhoudelijke reactie van de kant van gedaagde, die bovendien tot nu toe, zich jegens eiser op geen enkel concreet wet(sartikel) heeft (willen) beroepen, ook wat betreft ‘procédé x’. Mede in het kader van het proces van, laat eiser het zo maar noemen: ‘nakende mondiale revelatie’, heeft eiser besloten gedaagde daarbij een ‘handje te helpen’, onder andere middels (het laten uitbrengen van) deze dagvaarding.

36.
De discussie met betrekking tot de (non-)legitimiteit van de ook aan gedaagde gestelde liquiditeits- en solvabiliteitseisen (de BIS Bazel I, II en III Akkoorden), welke eisen binnen de Europese Unie zijn geïmplementeerd onder de reeds hiervoor gememoreerde noemer Capital Requirements Directive(s); CRD), kan eiser ook niet laten voor wat zij is; zie: http://www.toezicht.dnb.nl/4/1/50-203922.jsp. Dat zit hem met name in het feit, dat deze eisen niets zeggen over de wijze waarop gedaagde geld creëert (volgens ‘procédé x’) en of er op het moment van geldcreatie sprake is van een onderliggende dekking (funding), In plaats van achteraf. Econoom Ad Broere, auteur van het boek ‘Geld komt uit het niets’ (/web/nl/columns/geld-komt-uit-het-niets.php), heeft daar het nodige onderzoek naar gedaan. Daarbij haalt Broere onder andere aan, een 13-08-2013 gedateerd rapport dat afkomstig is van Paul Sheard. Sheard is thans werkzaam als hoofdeconoom bij het alom bekende, beruchte en vreselijke ratingbureau Standard & Poor’s (S&P; http://www.standardandpoors.com/about-sp/managem …Als employé van zakenbank Lehman Brothers, maakte Sheard de val van deze bank, wier faillissement op 15-09-2008 werd uitgesproken, van zeer nabij mee. Broere heeft eiser gewezen op de volgende passage in het rapport van Sheard: “Banks lend by simultaneously creating a loan asset and a deposit liability on their balance sheet. That is why it is called credit “creation”–credit is created literally out of thin air (or with the stroke of a keyboard; níet volgens gedaagde en níet volgens DNB en graag uitleg over ‘procédé x’; PW). The loan is not created out of reserves. And the loan is not created out of deposits: Loans create deposits, not (!!!; PW) the other way around. Then (!!!; PW) the deposits need a certain amount of reserves to be held against them, and the central bank supplies them.” Voor zover er überhaupt nog twijfel bestaat over de praktijk van gedaagde – geldcreatie uit het niets -, dan neemt Sheard die definitief weg, zo neemt eiser gevoeglijk aan. Echter, de zin: “Then the deposits need a certain amount of reserves to be held against them, and the central bank supplies them”, brengt eiser in een zekere, zo niet opperste staat van paraatheid. De reden daarvan is gelegen in het feit dat deze praktijk weerspiegelt een, naar de mening van eiser, omgekeerde en verkeerde of onrechtmatige manier van zaken doen, omdat daarmee de vermeend tot orde en discipline aanzettende Bazel Akkoorden en daarop geënte CRD’s zijn verworden tot ‘de grootste wassen neuzen van regelingen’. Waarom? Omdat gedaagde geld digitaal uit het niets kan creëren (volgens procedé x’) en digitaal kan uitlenen, waarná de centrale bank (bijvoorbeeld de ECB) zorgt voor een onderliggende dekking, ergo (ook nog) eens (gebleken) ONgefundeerde geldcreatie uit het niets (for a ‘free (interest) lunch!’). Met andere woorden: ook volgens Sheard, wurmt een bank als gedaagde zich achteraf – later – in de capsule van de aan haar gestelde (arbitraire) minimum kapitaalsvereisten met hulp van ‘non-democratische volghond of achtervang ECB’, dat (daardoor) de facto naar de pijpen van onder andere gedaagde danst en daarbij laat blaffen: “Within our mandate (whose mandate?!; PW), the ECB is ready to do whatever it takes to preserve the euro. And believe me, it will be enough.” (Mario Draghi, Goldman Sachs, 2013) en dan weet eiser het wel… In de verste verten kan eiser daarin – in deze volgorde – geen redelijke discipline, rechtmatigheid, rechtvaardigheid en wat dies meer zij jegens onder anderen hem ontwaren; ook daarover hierna nog meer. Eiser heeft groot respect voor een deskundige als Nicole Foss, die haarfijn uitlegt dat een bank als gedaagde, feitelijk medehoofdverdachte is in de thriller ‘The game of musical chairs kicks the can down the road’. Meer dan luisterwaardig is haar, op zijn minst ‘waterresistente betoog’ over de komende financiële tsunami (http://peakoil.com/alternative-energy/monsta-of-doom-nicole-foss-energy-currency-issues). Eiser is het vrijwel helemaal roerend met Foss eens, of zoals Marx zei, althans zou kunnen hebben gezegd: “er komt een grote Kladderadatsch”. Eiser is nu zover dat hij denkt, dat hij daarom geen traan zal laten, terminaal en levensmoe, is terminaal en levensmoe.

37.
Daarop sluit zo goed als naadloos aan, de volgende uitlating van de toenmalige vicepresident van de Federal Reserve Bank of New York, Alan R. Holmes. Deze Holmes wond er in 1969 beslist geen doekjes om, toen hij, de facto net als onder anderen Paul Sheard, van S&P aangaf: ”In the real world, banks extend credit, creating deposits in the process , and look for the reserves later.” Met deze uitlating was ook Holmes ‘spot on’, in die zin dat gedaagde, (eveneens) in het geval van eiser eerst geld uit het niets heeft gecreëerd, waarna zij de reserve (funding) daarvoor, daar achteraf bij heeft gezocht. Kortom, ook deze constatering – ‘u gaat hier linksaf, mag dat?’ – geeft voer aan de stelling van eiser, dat niet valt in te zien waarom gedaagde, jegens hem het recht op een meer dan kostendekkende rente, over geld dat zij – na ‘procédé x’ – uit het niets heeft gecreëerd (zonder funding), in redelijkheid kan inroepen.

38.
De discussie in verband met het feit, althans de gerede mogelijkheid dat gedaagde ‘during the game of musical chairs’ (Nicole Foss; zie punt 36, onderaan), de hypotheek van eiser heeft gesecuritiseerd – lees ook: heeft doorverkocht aan investeerders – waarvoor zij een flinke som geld heeft ontvangen, wil eiser voorwaardelijk aangaan. In 2013 heeft het radioprogramma Argos, een uitzending gewijd aan het fenomeen securitisatie (http://weblogs.vpro.nl/argos/2013/07/19/20-juli-…, met in dat programma onder anderen econoom prof. dr. Arnoud Boot, die net als financieel geograaf prof. dr. Ewald Engelen, op een niet mis te verstane wijze ‘acte de présence’ zal geven in twee uitzendingen van TROS Radar, op 23 en 30 december 2013, over ‘de schuldvraag’. Dan zet eiser het bier en de knabbels zeker klaar! Hypotheeksecuritisatie – de verkoop van niet meer dan economisch(!) eigendom (een derivaat); ‘bankenuitwas nummer 43’ – ‘slechts’ een relatief recht en zeker géén eigendomsrecht, noch een ander goederenrechtelijk recht –, staat onder andere op gespannen voet met artikel 5:1 lid 3 BW. Immers, gedaagde is slechts hypotheeknemer en wat het recht van hypotheek exact inhoudt, is duidelijk in de wet omschreven. Eiser daarentegen is eigenaar van de woning, waarop dat hypotheekrecht van gedaagde rust. Echter, als (juridisch) eigenaar – houder van het zakelijke eigendomsrecht –, heeft eiser wel het recht op de vruchten van de woningeigendom. Dat staat met zoveel woorden in artikel 5:1 lid 3 BW. Kortom: gedaagde mag misschien wel (in)direct het door eiser aan haar verleende hypotheekrecht securitiseren, maar de rechten die voortvloeien uit het juridische eigendomsrecht van eiser, mag gedaagde niet zomaar passeren. Meer concreet, securitisatie van de hypotheek van eiser, is onlosmakelijk verbonden aan het (juridisch) eigendomsrecht van eiser, op grond van artikel 5:1 BW. Kortom: geen eigendomsrecht van eiser, betekent geen hypotheekrecht van gedaagde, betekent geen securitisatie door gedaagde. De woningeigendom van eiser geeft hem – niet gedaagde – recht op de vruchten – de securitisatieopbrengst – die uit die eigendom voortvloeien. Aldus kiest eiser – onderbouwd – voor een andere benadering, namelijk de benadering over de boeg van artikel 5:1 (lid 3) BW. Die benadering is anders dan de benadering, zoals voorgelegd aan de Rechtbank Rotterdam; vonnis d.d. 01-05-2013, vindplaats: LJN CA 2973; kort samengevat, luidde dat vonnis als volgt: securitisatie leidt niet tot teniet gaan (hypothecaire) geldlening eisers.
In die zaak stelden eisers, wier hypotheek was gesecuritiseerd, zich op het standpunt dat als gevolg van de securitisatie van hun hypotheek, de vordering van de bank op hen is voldaan. Dit standpunt is volgens de rechtbank onjuist, die motiveert als volgt: de zorgplicht van de bank strekt niet zover dat zij particulieren die een hypothecaire geldlening willen afsluiten moet informeren over de mogelijkheid dat deze geldlening in de toekomst mogelijk onderwerp zal zijn van een securitisatie, aldus de rechtbank. Wat er van dat vonnis ook verder mogen zijn, volgens eiser laat de ‘echte bom’ zich als volgt omschrijven: van de hiervoor, door de rechtbank aangehaalde toekomst is (uiteraard) géén sprake, op het moment van sluiten van de leenovereenkomst, waarbij de gelduitlener (valutagever; gedaagde!) in spé, de geldnemer (valutanemer; eiser!) in spé, al moet hebben uitgelegd, hoe zij, op basis van ‘procedé x’ aan haar, uit het niets gecreëerd geld (valuta) komt of is gekomen – uitleg hoe haar ‘dienst’ en haar ‘product’ in elkaar steekt –, met onder andere de melding dat dáárover – niet over eigen geld (valuta), of over andermans (spaar)geld(-valuta), of over ongedekt geld (valuta) – een rentevergoeding en/of een vergoeding (‘fee’) wordt verlangd. Als eiser een nagelnieuwe, volledig Shimano XTR triple afgemonteerde carbon fibre mountainbike koopt, à raison van € 50,-, dan moet de verkoper van deze fiets wel een verdomd goed verhaal klaar hebben liggen, ter voorkoming van diens en eisers’ aanhouding en inverzekeringstelling wegens heling (artikel 416 Sr.). Welnu, als gedaagde – zij is geen bank in de zin van artikel 1:1 Wft -, ook wegens het gebleken niet dragen van eigen risico van kredietuitzettingen, ongefundeerd geld uit het niets kan creëren, zonder – nog steeds – inzichtelijk te hebben gemaakt, op basis waarvan (wettelijk kader van A tot Z alstublieft!; PW) dan moet gedaagde (en ook de Nederlandse samenleving) toch vrezen, althans op een gegeven moment toch vrezen. Aldus behoorde en behoort een bank als gedaagde, in het geval waarin zij een lening – de facto zowel een ‘dienst’, als een ‘product’ – verkoopt, haar cliënt (ook eiser), in het kader van haar ‘handelspraktijk’, op de hiervoor omschreven wijze te informeren; zie ook artikel 6:193a e.v. BW, te meer omdat haar (eigen) personeel er ook niets van begrijpt; meer daarover (ook) onder punt 57.

39.
Eiser ‘gaat weer naar school’, samen met econoom prof. dr. Jan Pen (http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Pen_(hoogleraar) ), die in zijn voorlichtingsboek ‘Kijk, Economie’ (1979) al het een en ander scheef over geldschepping. Een paar citaten daaruit:
1. “Er gaat bovendien het gerucht, dat ook gewone banken geld kunnen maken. Dat gerucht is juist” (pagina 126);
2. ” (…) geld is waar we anderen vlot mee kunnen betalen. Een vordering op een bank is geld. Een vordering op mij is geen geld (…)” (pagina 127);
3. “Door die daad van kredietverlening vervaardigt de bank geld, dat er eerst niet was. Dat gebeurt ook als de gewone particulier geld van de bank leent”’ (pagina 128)
4. “Een bank is een geldfabriek, en niet alleen een doorgeefluik van geld.” (pagina 128).
Eiser denkt dat professor Pen, hoewel hij duidelijk is, door velen, inclusief eiser, nooit goed begrepen is; daar staat nogal wat!

40.
(Nogmaals) niet (juridisch) onbesproken wenst eiser te laten, de namens gedaagde opgeworpen stelling: ”Bovendien is in de wereld alom aanvaardt (sic; PW) hoe de financiële markt functioneert en is georganiseerd. Het aanpassen van het financiële systeem zal door de wetgevers moeten worden geïnitieerd.” (productie 4). Immers, indien wordt uitgegaan van de premisse dat gedaagde ten tijde van het aanslaan van de hiervoor bedoelde € 312.500,- in een digitale gegevensdrager, voldeed aan de voor haar geldende liquiditeits- en solvabiliteitseisen, betekent zulks nog niet dat in de wereld alom is aanvaard, hoe de financiële markt functioneert en is georganiseerd. Dit laatste klemt te meer, ook om de eenvoudige reden dat praktijk van het aanslaan van een geldbedrag in een digitale gegevensdrager, welk ongefundeerd bedrag digitaal wordt uitgeleend, in ruil voor aflossing van dat bedrag, plus betaling van rente over dat bedrag, níet wordt bestreken door een (pseudo-)wettelijk kader, in de vorm van aan gedaagde gestelde liquiditeits- en solvabiliteitseisen (Bazel I, II en III Akkoorden, die zijn gerold uit de koker van een niet-democratisch gelegitimeerd en gecontroleerd orgaan als de BIS, welke akkoorden in Europees verband zijn geconverteerd naar CRD’s (zie ook hiervoor, onder punt 36). Ja, ja, eiser herhaalt zich…

41.
Daarmee wil eiser ook gezegd hebben dat het buitengewoon merkwaardig is, dat een bank zich jegens een ander rechtssubject, kan bedienen van de kennelijk ongereguleerde, althans voor een fors deel ongereguleerde en beslist niet alom aanvaarde praktijk – de praktijk van ongefundeerde digitale geldcreatie uit het niets –, zonder onderliggende dekking (funding), waarbij deze bank, naast terugbetaling van het digitaal uit het niets gecreëerde geld, tevens haar recht kan doen gelden op een rentevergoeding (=geldvergoeding; ‘free lunch’) over nota bene geld dat zij uit het niets heeft gecreëerd. De ‘pijn’ van eiser zit hem met name in het feit dat door een bank als gedaagde, over simpelweg uit het niets gecreëerd geld, een rentevergoeding wordt verlangd, waarbij – nogmaals – volgens gedaagde de maatstaf is: ”Bovendien is in de wereld alom aanvaardt (sic; PW) hoe de financiële markt functioneert en is georganiseerd. Het aanpassen van het financiële systeem zal door de wetgevers moeten worden geïnitieerd.” (productie 4). Dat zulks per se, of juist wel indruist tegen het rechtsgevoel dat alom in de wereld is aanvaard, behoeft wellicht geen nader betoog, maar zekerheidshalve zal eiser verderop in dit geschrift, dat nadere/onderbouwde betoog wel afsteken. Overigens, de stelling van gedaagde, dat in de wereld alom is aanvaard hoe het financiële systeem functioneert, komt eiser als volslagen wereld- en wezensvreemd voor. Eiser stelt zelfs dat de huidige maatschappelijke tendens zich prima laat omschrijven als: wantrouwen in een volstrekt onvoldoende zelfreinigend financieel systeem, met – tot op de dag van vandaag en zeker ook daarna – vele missers en schandalen. Typerend is onder andere de in 2013 gedane uitlating van Hans van der Noorda, CEO Banking Benelux van ING (gedaagde): “Om het vertrouwen van klanten weer te winnen, moeten we ons bedrijfsmodel echt opnieuw uitvinden.” Met deze ‘laat mij niet lachen uitlating’, maakt gedaagde, zo droomt eiser, de facto ook duidelijk hoe eiser tegen haar aankijkt – herwinnen vertrouwen – en aan de andere kant maakt gedaagde daarmee duidelijk dat zij haar praktijk van geld verdienen, op basis van geldcreatie uit het niets, zonder onderliggende dekking (funding), in ruil voor aflossing en rente over dat geld uit het niets – haar bedrijfsmodel –, ook niet meer ziet zitten (http://www.ing.com/Ons-Bedrijf/Over-ons/Features-archief/We-hebben-heel-wat-bereikt-…..htm). Daarbij gaat eiser graag in op de door gedaagde te berde gebrachte stelling: ”Het aanpassen van het financiële systeem zal door de wetgevers moeten worden geïnitieerd.” (productie 4). Met deze stelling laat gedaagde impliciet blijken dat zij kennelijk weet heeft van de buitenwettelijke wijze – eiser herhaalt: buitenwettelijke wijze – waarop zij haar praktijk uitoefent – op basis van een op belangrijke fronten achterhaald systeem, niet op basis van een wet –, namelijk het systeem of de praktijk van geldcreatie uit het niets, op basis van ‘procedé x’, zonder onderliggende dekking (funding), in ruil voor aflossing en rente – ‘free lunch’ – over geld uit het niets. Kennelijk heeft ING daar ook geen fiducie meer in, en terecht, want waarom zou eiser goed geld – aflossing en rente(winst) voor gedaagde – op basis van zijn arbeid en kapitaal, naar kwaad, digitaal door gedaagde uit het niets gecreëerd geld moeten gooien, welke praktijk niet in de wet is omschreven? Op welke wijze gedaagde haar ‘opnieuw uitgevonden bedrijfsmodel’ wil vormgeven, zal eiser verder een zorg zijn, in die zin, dat wat gedaagde tot nu heeft gedaan, nooit meer mag gebeuren.

42.
De volgende, recente verklaring van econoom drs. Ad Broere, maakt eiser tot de zijne. Deze verklaring vormt mede de basis van de onderstaande eis tegen gedaagde: (Broere) “Als een koper van een woning een contract sluit met de bank voor een hypothecaire lening dan vormt het contract een bezit van de bank, dat als vordering op de koper van de woning debet bij de activa wordt geboekt. Aan de andere kant, credit bij de schulden boekt de bank een fictief deposito met een bedrag gelijk aan de verplichting die de bank aan de koper van de woning heeft. Dus de initiële boeking betreft een creatie van geld dat er voordien niet was. Het is dus niet waar dat een bank moet wachten op een of andere funding in de vorm van spaargeld of een echt deposito of anderszins voordat het tot kredietverlening kan overgaan. Als de verkoper van de woning een rekening bij dezelfde bank heeft dan blijft de situatie op de balans dezelfde, namelijk een verschuiving van deposito van A naar deposito van B. Als de koper een rekening heeft bij een andere bank, dan heeft de bank een verplichting aan de andere bank. Omdat er dagelijks heel veel transacties plaatsvinden worden alle verplichtingen en vorderingen gesaldeerd. Het netto saldo dat overblijft wordt met ‘centrale bank geld’ afgedekt. Dit geld komt niet in circulatie, maar dient er slechts voor om interbancaire vorderingen en verplichtingen af te wikkelen.
Dit is de werkelijkheid. Dus er is geen sprake van dat een bank het geld uitleent dat door spaarders is toevertrouwd. Banken kunnen op deze manier onbeperkt geld scheppen. Het enige dat hen daarin afremt is de factor risico. Dit risico wordt hoger geacht in slechte economische tijden dan in voorspoedige. Dus zijn banken niet erg bereid om in slechte tijden geld uit te lenen, in het bijzonder als dat door de ‘wijze mannen in streepjespakken’ als riskant wordt beoordeeld. Banken worden ‘afgestraft’ voor teveel risico door een lage Tier ratio. Deze ratio is gebaseerd op het eigen vermogen gedeeld door het risicogewogen balanstotaal, waarbij ‘risicoloze’ leningen niet worden meegeteld, leningen met meer risico een factor tussen 0 en 1 krijgen en zeer risicovolle leningen in zijn geheel moeten worden meegeteld. Dus, als de bank een eigen vermogen heeft van 4 en het balanstotaal is voor risicoweging 100, dan heeft de bank een ‘normale’ solvabiliteit van 4%. Als door risicoweging de balans verkort wordt tot de helft dan is de solvabiliteit volgens de Tier ratio plotsklaps 8% geworden en voldoet de bank aan de regelgeving. Het is vanzelfsprekend nogal wat dat je op moment t een uitspraak kunt doen over het risico in al je vorderingen op het moment t+10. Zeker in dit tijdsgewricht is het een knap staaltje van kijken in de kristallen bol.

Voor zover deze of gene moeite zou hebben met de werkelijkheid van geldschepping omdat dit op geen enkele opleiding wordt verteld, dan kan er worden gewezen op het feit dat er een grote mismatch is tussen de duur van toevertrouwde gelden, waarvan 80-90% binnen een maand opvraagbaar is en de duur van het uitgeleende geld, waarvan niet meer dan 10% binnen een maand opvraagbaar is. Dit houdt in, dat banken op het moment dat een contract wordt aangegaan voor een lening met een duur van 30 jaar er absoluut geen zekerheid is dat de dekking voor die lening er gedurende de gehele looptijd ook zal zijn. Puur gokwerk dus en de vraag doet zich voor of banken dan in staat zijn/gerechtigd zijn tot het aangaan van dit contract.”

43.
Binnen dit bestek wint aan kracht en belang, de volgende uitlating van de hiervoor gememoreerde Henry Ford: “Een onderneming die niets anders voortbrengt dan geld is een armzalige soort organisatie”. Misschien doelde Hans van der Noorda, CEO Banking Benelux van ING, wel daarop, laten we het hopen. Voormelde uitlating van Henry Ford, geeft perfect weer hoe eiser tegen deze kwestie aankijkt, waarbij hij graag verwijst naar vorenstaande kristalheldere quotes van econoom prof. dr. Jan Pen; zie punt 39. Eiser wijst verder nog op de volgende, voor zichzelf sprekende en nog zeer actueel zijnde citaten: “Banks lend by creating credit. They create the means of payment out of nothing.” (Ralph M. Hawtry, *1879 – I975, voormalig minister van Financiën van Groot-Brittannië) en “(…) our whole monetary system is dishonest, as it is debt-based… We did not vote for it. It grew upon us gradually but markedly since 1971, when the commodity-based system was abandoned.” (Malcolm Ian Sinclair, geboren 1948, lid van het Britse Hoger Huis, 1997). Met deze stellingen is op zichzelf niets mis, doch deze gaan misschien voorbij aan het springende punt van eiser, dat als volgt kan worden geformuleerd: een bank – bijvoorbeeld gedaagde – creëert ongefundeerd geld uit het niets, op basis van ‘procédé x’ en daarvoor verlangt zij rente – ‘free lunch’ -, welke rente – free lunch – niet in verhouding staat tot de prestatie die zij daarvoor heeft geleverd, welke prestatie – slechts – voortvloeit uit en is geënt op de (achterhaalde) en ook door gedaagde aangehangen en rijp voor de sloop zijnde stelling ‘dat in de wereld alom is aanvaard hoe de financiële markt functioneert en is georganiseerd en “om het vertrouwen van klanten weer te winnen, moeten we ons bedrijfsmodel echt opnieuw uitvinden”, of beter: overheid en samenleving doen er goed aan, het bedrijfsmodel van ING uit haar handen slaan, althans niet te wachten op haar ‘opnieuw uit vinden bedrijfsmodel’, al was het alleen maar ter voorkoming van nog meer leed, naast al het onafwendbare leed dat kan worden geschreven op conto van de zichzelf bedienende zakkenvullers van gedaagde, voor wie eiser, zo gelooft hij, een ‘sucker’ is. In het kader van ‘who is the sucker?’, gelieve te wachten op de niet mis te verstane uitlating van voormelde professor Engelen, in één van de komende programma’s van TROS Radar.

44.
In dit kader refereert eiser tevens aan een, zeker in dit bestek, uitermate interessant vonnis dat onlangs is gewezen in een kwestie die speelde tussen SNS Bank (geldgever) en de heer Joosten (geldlener), welk vonnis afkomstig is van de Rechtbank Oost-Brabant, Kanton ’s-Hertogenbosch d.d. 30-05-2013 (zaaknummer: 897121; rolnummer: 13-3940; productie 5). Bijzondere aandacht trekt de daarin opgenomen rechtsoverweging 3.

”3 De beoordeling.

1. Joosten heeft niet bestreden dat hij een lening (in rekening-courant) heeft ontvangen van SNS Bank ten bedrage van € 17.188,35, althans dat dat bedrag nog als openstaand in rekening-courant resteert.

3.2. Het verweer van de gemachtigde van Joosten dat Joosten van het geleende bedrag geen euro heeft ontvangen, moet, in letterlijke zin, waarschijnlijk als juist worden aanvaard. Eveneens zal juist zijn dat de banken slechts bedragen van de ene rekening naar de andere overboeken zonder dat er in werkelijkheid een euro wordt verplaatst. En voorts zal juist zijn dat slimme economen een theorie hebben ontworpen op grond waarvan er op de een of andere (voor de leek ondoorgrondelijke) wijze dekking bestaat voor de bedragen die bij rekeninghouders op de rekening staan. In hoeverre die dekking daadwerkelijk bestaat en in hoeverre die theorie juist is, behoeft echter in dit geding niet te worden beoordeeld, om de volgende reden.

3.3. Joosten heeft namelijk, zo blijkt uit de bij dagvaarding overgelegde stukken, gebruik gemaakt van de hem door SNS Bank ter beschikking gestelde gelden (ook al was dat volgens de gemachtigde van Joosten een slechts zuiver theoretische, boekhoudkundige terbeschikkingstelling) door daarmee (kennelijk eveneens zuiver theoretische) betalingen te doen aan derden. Daarmee is (binnen het in de westerse wereld geldende juridische systeem, dat – toegegeven – op slinkse wijze aan het economische systeem is gekoppeld) op hem de plicht jegens SNS Bank komen te rusten om de hem (boekhoudkundig) ter beschikking gestelde gelden terug te betalen. Die terugbetaling behoeft echter niet te geschieden door daadwerkelijk euro’s naar SNS Bank te brengen, maar mag eveneens zuiver boekhoudkundig gebeuren door een overboeking van een rekening naar de rekening van SNS Bank. Binnen het heersende systeem bestaat namelijk (in principe) voor een zodanige overboeking dezelfde dekking als voor de overboeking die SNS Bank aan Joosten heeft gedaan. Deze dekking bestaat misschien niet daadwerkelijk, maar wel theoretisch, zolang iedereen, althans veruit de meeste mensen, vertrouwen hebben in het systeem op de dag van deze uitspraak is dat nog het geval, althans – zo moet dezer dagen een slag om de arm worden gehouden – de kantonrechter hebben nog geen andersluidende berichten bereikt.” Da’s toch wel sterk, zo meent eiser, de facto sanctioneert de kantonrechter zonder woorden – zonder woorden! – het recht van SNS Bank om, op basis van een een daar haar – SNS Bank – geïnitieerd zuiver boekhoudkundig gebeuren, aan Joosten rente in rekening te brengen over een op basis van een zuiver boekhoudkundig gebeuren gecreëerd geldbedrag, alias geld uit het niets, zónder de redelijkheid en billijkheid daarvan te toetsen en zonder stil te staan bij onder andere de op SNS Bank rustende plicht aan te geven hoe eruitziet, de door haar geleverde dienst – geldcreatie volgens ‘procédé x’ alsmede hoe het daaruit voortgekomen product – de geldsom (valuta); de vordering op naam – tot stand is gekomen. De gemiddelde consument denkt dat de bank dat geld in kas heeft, welk geld op een bepaalde wijze wordt verplaatst naar een bankrekening, maar de gemiddelde consument denkt beslist niet aan een boekhoudkundige handeling – aanslaan van een geldbedrag in een computer – waarna er geld uit het niets in existentie is gekomen; daarover verderop in deze dagvaarding meer.

45.
Wat eiser aan dat vonnis opvalt is, dat de kantonrechter zich in deze zaak niet heeft uitgelaten over de tussen partijen overeengekomen kredietrente dat door SNS Bank werd geheven over, aldus (ook) de kantonrechter, ‘dat zuiver boekhoudkundig gecreëerde geld’. Overigens moet die kredietrente níet worden verward met vertragingsrente en wettelijke rente, waarover de kantonrechter zich wel uitdrukkelijk heeft uitgelaten en waarmee gedaagde feitelijk schermt en tevens de plank misslaat, getuige de redactie van haar brief d.d. 24-10-2013 (productie 4). Zie in dat kader ook de volgende passage onder rechtsoverweging 3.3: ”Daarmee is (binnen het in de westerse wereld geldende juridische systeem, dat – toegegeven – op slinkse wijze aan het economische systeem is gekoppeld) op hem de plicht jegens SNS Bank komen te rusten om de hem (boekhoudkundig) ter beschikking gestelde gelden terug te betalen.” Betoogd kan worden dat de kantonrechter aangeeft, dat op Joosten de plicht rust om de door SNS Bank digitaal uit het niet gecreëerde gelden – boekhoudkundig gecreëerde gelden – terug te betalen, maar de kantonrechter laat zich, om hem of haar moverende redenen, niet uit over het zit met de door Joosten te betalen, tussen hem en SNS Bank overeengekomen kredietrente (over dat geld uit het niets), welke kredietrente met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een woekerrente van het zuiverste water is, hetgeen zich niet verdraagt met hetgeen eiser hiervoor te berde heeft gebracht. De woorden van de kantonrechter onder 3.3: “Binnen het heersende systeem bestaat namelijk (in principe) voor een zodanige overboeking dezelfde dekking als voor de overboeking die SNS Bank aan Joosten heeft gedaan. Deze dekking bestaat misschien niet daadwerkelijk, maar wel theoretisch, zolang iedereen, althans veruit de meeste mensen, vertrouwen hebben in het systeem.” De simpele vaststelling van eiser is, dat (ook) door de kantonrechter een, voor de meesten onder ons, bewust übervaag of onder de pet gehouden ‘heersend en bewezen – bewezen! – tot ernstige criminaliteit aanzettend systeem’ met – hoe is dat toch in vredesnaam mogelijk?! – een niet gebleken daadwerkelijke dekking, als panacee voor een wezenlijk moreel en juridisch probleem naar voren wordt gebracht, zonder daaraan een nadere en afdoende juridische explicatie te koppelen. Over welk wettelijk kader heeft de kantonrechter het eigenlijk? De opvulling dergelijke leemte, middels een simpele verwijzing naar een vigerende leenovereenkomst, kan door eiser uiteraard niet worden aanvaard. Eiser nodigt gedaagde uit – eindelijk – aan te geven op welke wettelijke bases – bases! – haar recht om geld uit het niets te mogen creëren, is gestoeld – zo is zij ook in het geval van eiser te werk gegaan! –, waarbij gedaagde tevens mag aangeven waarop berust haar recht om eerst geld uit het niets te mogen creëren, nog vóórdat zij daarvoor de reserves (funding) heeft, omdat gedaagde in het geval van eiser op die wijze te werk is gegaan. Het wordt uiterst bedenkelijk, zodra er wordt gedacht aan een door gedaagde gestipuleerd recht op rente en als in overweging wordt genomen de reeds hiervoor aangehaalde rechterlijke overweging: “Deze dekking bestaat misschien niet daadwerkelijk, maar wel theoretisch, zolang iedereen, althans veruit de meeste mensen, vertrouwen hebben in het systeem.” Met andere woorden: op basis van ‘een wellicht niet bestaande dekking’, wordt van eiser verwacht dat hij zich, vanwege ‘een wellicht niet bestaande dekking’, zich ter meerdere eer en glorie – winst (rente; a ‘free lunch’) van een aan het staatsinfuus liggende, maar wel commercieel opererende ‘Januskop van een gedaagde’, met minder dan 5% eigen vermogen, een slag in de rondte werkt, ter facilitering van een gedaagde, die zich laaft aan ‘volstrekt intransparant verdienmodel van A tot Z’, alias ‘procédé x’. Ook daar voelt eiser weinig voor, althans eufemistisch uitgedrukt, komt zulks eiser voor als een ‘nogal wankele vertrouwensbasis’, ook in juridisch opzicht. Dat heeft niet in de laatste plaats te maken met wat – zelfs – de kantonrechter heeft aangegeven: “(…) binnen het in de westerse wereld geldende juridische systeem, dat – toegegeven – op slinkse (?!; PW) wijze aan het economische systeem is gekoppeld”. Overigens, over welk juridisch systeem deze kantonrechter het heeft, is eiser niet duidelijk , maar hopelijk weet gedaagde raad en wel in juridische geuren en kleuren, in tegenstelling tot haar (eigen) personeel en DNB, althans dat hoopt eiser dan maar. Niet alleen het economische systeem is in handen van de commerciële banken, nee, het is nog veel afgrijselijker, de commerciële banken versterken hun, mede op (economische) chantage gebaseerde positie in het economische systeem en dat doen zij met hulp van hun leenheer, de BIS, die haar leenmannen, middels de ‘Bazelakkoorden (opportunistische) versie III’ (=wetgeving van banken voor banken), althans een gedegradeerde falende slager, keurt nog steeds zijn eigen vlees), op basis van flinterdunne, krakkemikkige, gecontroleerd-opportunistische kapitaalsvereisten, waarbij aanzienlijke, maar wel niet meer dan natuurlijke en terechte afschrijvingen (nog steeds) geen optie zijn, althans een er werd en wordt (nog steeds) gekozen voor het aanbrengen van een ‘glimmend laagje op doffe financiële ellende’, die de normaal in Nederland gebruikelijke en wezenlijke ‘toets van goed koopmanschap’ nooit en nimmer zal doorstaan. Kortom hier is sprake van ‘naargeestig Zwitsers precisiewerk’ afkomstig van een in Bazel gevestigde ‘sociaal-economische Alptraum’, waartegen (ook) geen Zwitsers kruid meer gewassen is.
STANDPUNT GEDAAGDE

46.
Gedaagde: “Uit uw relaas maken wij op dat u zich niet kunt vinden in de wijze waarop de financiële wereld in elkaar zit en functioneert. Het financiële systeem waarin banken als geldscheppende instelling een spilfunctie vervullen, is georganiseerd conform wettelijke richtlijnen en boekhoudkundige vereisten en staat onder toezicht van onder meer De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten. Om als bank leningen te mogen verstrekken dient de bank aan liquiditeits- en solvabiliteitseisen te voldoen. Bovendien is in de wereld alom aanvaardt (sic; PW) hoe de financiële markt functioneert en is georganiseerd. Het aanpassen van het financiële systeem zal door de wetgevers moeten worden geïnitieerd.” (productie 4). Het valt eiser direct op dat er ook hier door gedaagde geen woord wordt gewijd aan (de wettelijke legitimatie van) het proces – ‘proces x’ – dat uiteindelijk leidt tot geldcreatie, zonder onderliggende dekking; ‘looking for the reserves later’.

47.
Gedaagde: “U bent met het ondertekenen van de hypotheekakte waarvan de akte van geldlening deel uitmaakt, de verplichting aangegaan om de hypothecaire geldlening met de overeengekomen rentevergoeding terug te betalen. Wij zien op grond van hetgeen u stelt, geen aanleiding om af te wijken wat wij met u zijn overeengekomen.” (productie 4). Overigens levert zulks tevens op, een ‘artikel 6:83 sub c BW situatie’, weshalve (verdere) aanmaning/sommatie vanwege gedaagdes’ niet-nakoming van haar verbintenis jegens eiser, geen zin (meer) heeft.

48.
Op 12-11-2013 heeft de heer J., als hypotheekadviseur werkzaam in dienst van gedaagde, eiser telefonisch het volgende medegedeeld: dat is ontvangen, de sommatiebrief van eiser d.d. 08-11-2013 (productie 6), inclusief daaraan gehechte conceptdagvaarding). De heer J. gaf eiser te kennen ‘niet zeker te weten of gedaagde zich bediende van de praktijk van digitale geldcreatie uit het niets’. De heer J. gaf aan ‘dat hij er van uit gaat dat een bank geld aantrekt en dat uitleent’ (nota bene: dat staat haaks op onder andere de uitlating van Alan R. Holmes/Federal Reserve (1969) en de heer X, van ING Group / Corporate Communications (2013). Op de door eiser gestelde vraag ‘of hij (J.) zeker weet dat gedaagde zich niet bedient van digitale geldcreatie uit het niets, door middel van het aanslaan van een €-teken en daarachter een cijfer in een digitale gegevensdrager’, gaf hij (J.) aan ‘dat hij altijd heeft gedacht dat er altijd geldstromen staan tegenover een lening’. ‘Geldstromen staan tegenover’ duidt op een bestaande funding, maar verhaal dat klopt niet, aldus onder andere Alan R. Holmes, voormelde X en nog vele andere ‘financiële kopstukken’. Het door eiser aangehaalde punt: ‘geldcreatie uit het niets vindt J. een interessante materie, hoewel hij er altijd vanuit ging van een geldstroom die staat tegenover een lening, hij ook maar een mens is en dat hij het misschien wel bij het verkeerde eind heeft’. Eiser vermoedt dat een meisje van 10 meer opheldering geeft; zie http://www.youtube.com/watch?v=bmR4qtEdu0I.
WEERLEGGING STANDPUNT GEDAAGDE

49.
Zie hieronder/-boven, met als speerpunt, de mede door gedaagde gevoerde onwettige praktijk – niet gecodificeerde praktijk; niet, of misschien wel per ongeluk door God gegeven gave; een volstrekt tegennatuurlijke gave – van digitale geldschepping uit het niets, volgens ‘procédé x’, zonder onderliggende dekking – geen spilfunctie, maar een verspilfunctie –, die op diverse feitelijke en juridische fronten onder andere de wet(ten), inclusief toets van redelijkheid en billijkheid, niet kan doorstaan. Bovendien weet ook ‘de bemanning van gedaagde’ niet, hoe zij daarbij te werk is gegaan, althans zo ver reikt haar kennis niet. Eiser gaat er gevoeglijk vanuit dat gedaagde – een onnatuurlijke persoon; een rechtspersoon – niet weet wat zij heeft gedaan, waarbij eiser aangeeft dat wat zij heeft gedaan niet door de, door hem aangeduide feitelijke en juridische beugel kan. Wie mag geld (valuta) maken? Eiser citeert Dr. Roelf Haan (zie ook hiervoor onder punt 5): “Thomas Jefferson was ervan overtuigd dat de bevoegdheid geld te creëren moest worden weggenomen van de banken en worden hersteld bij het volk waaraan zij behoort” en ook Abraham Lincoln was van mening dat de geldcreatie geheel in overheidshanden diende te zijn. Vooralsnog hebben eiser geen berichten bereikt, dat beiden zich te buiten zijn gegaan aan het debiteren van klinkklare nonsens.
JURIDISCHE KWALIFICATIE

50.
Vooraleer de door gedaagde, ook jegens eiser gebezigde praktijk van geldcreatie uit het niets, in ruil voor daartegenover door eiser op te brengen, op zichzelf te rechtvaardigen aflossing en níet, althans niet zo zondermeer te rechtvaardigen rente over geld uit het niets, te toetsen aan de Nederlandse wetgeving, wenst laatstgenoemde deze praktijk eerst te leggen langs de verdragsrechtelijke meetlat.

51.
De hiervoor (herhaald) uit en te na beschreven (bank)praktijk van gedaagde, waaronder ‘procédé x’, staat op gespannen voet met het beginsel van gelijkheid/non-discriminatie, zoals onder andere is neergelegd in artikel 1 van de (Nederlandse) Grondwet, artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), omdat een bank een bedrijf is dat in tegenstelling tot burgers, of andere bedrijven digitaal geld kan creëren uit het niets, zonder onderliggende dekking (funding) en daarover ook nog eens winst (‘free lunch’), in de vorm van een meer dan kostendekkende rente verlangt van burgers, of andere bedrijven, die daar (wel) wezenlijke arbeid en/of wezenlijk kapitaal (tastbaar bezit/eigendom) tegenover moeten stellen. Daarbij bleek ook, dat een bank als gedaagde, in 2009, in tegenstelling tot 10.559 andere rechtssubjecten geen faillissement tegen zich heeft horen uitspreken, terwijl de situatie waarin gedaagde toen (en nu) verkeerde, niet wezenlijk anders was dan voormelde 10.559 rechtssubjecten (http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/veiligheid-recht/publicaties/artikelen/archief/2010/2010-012-pb.htm). Ook op school noemden ‘wij’ dit discriminatie. Daarbij moet gedaagde niet wegschieten in de kier van: maar dit was een zaak van algemeen belang, alsof 10.559 (2009), 9.620 (2010), 9.531 (2011) en 12.937 (2012) bedrijfsfaillissementen, evengoed geen zaak van algemeen belang is. Laat eiser van zijn hart maar geen moordkuil maken en hier zelf dan maar verklaren , dat eiser gedaagde ziet als een ‘ondergelopen en volstrekt misplaatste, gescheurde lekke tent, op een meer dan verzadigde bodem van een drassige benedenstroomse, van elke ster verstoken kansloze boerencamping, tevens zijnde een relict uit de definitief verregende zomer van 1998, tijdens een verloren namiddag’ en daarvan neemt eiser geen woord terug.

52.
De door een bank als gedaagde bedongen rente – ‘free lunch’ -, over ‘luchtgeld’, levert tevens op (verkapte) verboden dwangarbeid en slavernij (vide artikel 4 EVRM en artikel 8 IVBPR). Eiser moet zich een slag in de rondte werken, teneinde meer geld aan rente te generen, dan zijn lening groot is en gedaagde had geen geld, doch creëerde dat uit het niets en vroeg en vraagt daarover die rente. Dit is ook volkomen ‘knots’. De volgende beschrijving van Lev Tolstoj (1828-1910) sluit prachtig daarop aan: “Geld is een nieuwe vorm van slavernij, te onderscheiden van de oude door het simpele feit dat het onpersoonlijk is, er is geen menselijke relatie tussen de meester en de slaaf.”

53.
Indien wordt uitgegaan van de premisse dat gedaagde een bank is, is zij geen bank in de zin van artikel 1:1 Wft, mede omdat de door haar gebezigde praktijk van geldcreatie uit het niets, niet strookt met de (19e eeuwse) definitie van ‘bank’ in (onder andere) artikel 1.1 Wft en zij, zo is gebleken, het kredietrisico – ook afgeleid kredietrisico – aantoonbaar niet zelf droeg en draagt, tenzij onder het in artikel 1.1 Wft opgenomen woord ‘voor eigen rekening’, ook moet worden verstaan: voor rekening van de Staat der Nederlanden en/of haar burgers en/of haar belastingplichtigen. Van daaruit even de volgende excursie, in eisers’ contreien. Het zou eiser als uiterst bizar voorkomen, als rechters in een rechtbank, beloond zouden worden, op basis van het financiële belang van de door hen ingenomen en behandelde zaken. In wezen is het vreemd, dat banken worden beloond – hun ‘free lunch’ – op basis van het geldvolume – de hoeveelheid geld – dat door deze instellingen wordt uitgeleend.

54.
In nationaal wettelijk perspectief, beroept eiser zich jegens gedaagde ook op artikel 6:162 BW. “Artikel 6:162 lid 1: Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden; lid 2: Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.” In deze kwestie heeft gedaagde, voorafgaande aan de sluiting van de overeenkomst van geldlening, op 21-10-2010, eiser niet de op hoogte gebracht van de door haar gevoerde, kennelijk niet door een gecodificeerde regel aan banden gelegde, gevoerde praktijk van geldcreatie uit het niets, inclusief de ‘ins and outs’ van ‘procédé x’, waardoor eiser schade heeft geleden in de vorm van de, sinds 21-10-2010 op hem rustende verplichting aan gedaagde te betalen, alles dat ligt boven een daarvoor aan haar te betalen redelijke en billijke rentevergoeding, indachtig artikel 3:12 BW juncto artikel 6:2 BW. Onder een redelijke en billijke rentevergoeding verstaat eiser: een gedaagde toekomende vergoeding van € 350,- (zegge: driehonderdenvijftig euro) per uur, exclusief Btw, voor de tijd die gedaagde stak in de creatie van geld uit het niets alsmede de tijd die gedaagde stak en steekt in de daarbij behorende administratieve handelingen. Daarmee maakt eiser bovendien duidelijk dat hij ‘de beroerdste’ nog niet is. Belangrijk – herhaald – punt: gedaagde is mogelijk wel enigszins, of op een beperkt vlak, gebonden aan gecodificeerde regels, die in eerste instantie afkomstig zijn van een niet-democratisch gelegitimeerd orgaan als de BIS. Echter, er staat geen wettelijke maat op haar recht om op basis van een bepaald (onduidelijk) procédé geld uit het niets te mogen creëren, laat staan dat er een wettelijke maat staat op haar recht om over dat geld uit het niets rente over geld uit het niets te mogen verlangen. Gedaagde kan niet zondermeer wegkomen met de mededeling: dat is uw vrije keuze, eiser, althans woorden van die strekking. Ook in commissie stelt eiser: deze werkwijze zoekt onder meer de grenzen op, of komt binnen de grenzen van valsemunterij (extensief geïnterpreteerd). Zie in dat kader artikel 51 juncto artikel 208 Sr.: (digitale)valsemunterij, gepleegd door een rechtspersoon en haar feitelijk leidinggevenden). Zie ook: http://sylvestereijffinger.com/wordpress/inflati …).

55.
Zekerheidshalve brengt eiser ook in de stelling dat gedaagde (ook) tekort is geschoten in de uitvoering van de op haar rustende contractuele verplichting – eiser beroept zich op artikel 6:74 BW, omdat gedaagde tijdens de (nog immer lopende) contractperiode, middels het eiser voorzien van de juiste informatie wat betreft haar handelwijze zoals hiervoor (en hierna) vermeld, op haar schreden kon en kan terugkeren, ter financiële, althans ter zekere tegemoetkoming van eiser.

56.
In het geval dat een technisch failliete gedaagde – met een eigen vermogen van 0%, althans van minder dan 5%, is gedaagde “über verschuldet” – haar geldcreatie uit het niets, zonder dekking, omschrijft als een legale activiteit, dan betekent dat vanuit het oogpunt van gedaagde, dat er niets aan in de weg lijkt te staan zelf digitaal euro’s aan te maken en die op geheel eigen (digitale) wijze in het betalingsverkeer brengen of aan te wenden – op de wijze zoals gedaagde dat doet -, althans gedaagde wordt uitgenodigd te verklaren op basis van welke wet zij wel en eiser geen geld (euro’s) uit het niets mag creëren. Eiser ontkent en betwist de stelling van gedaagde, dat zij enige wettelijke basis recht had en heeft om, op basis van een wetteloos daaraan voorafgaand proces, digitaal geld, digitaal uit het niets te creëren, zonder onderliggende dekking, althans eiser ontkent en betwist dat zij op enige wettelijke basis recht had en heeft om digitaal geld, digitaal uit het niets te creëren. Het zij nogmaals aangeven, gedaagde kan zich niet verschuilen achter bestaande kapitaalvereisten, omdat die hoegenaamd geen betrekking hebben op de door haar gevoerde praktijk van digitale geldcreatie uit het niets (‘procédé x’), zonder bijbehorende dekking, welke praktijk los staat van kapitaalvereisten. Deze werkwijze verdraagt zich niet met de werkwijze van degene die zijn bedrijf maakt van het buiten besloten kring ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen. Kortom, de gedraging van gedaagde jegens eiser was onder andere in strijd met artikel 1:1 Wft. In dat kader zou gedaagde zich wellicht nog kunnen beroepen op de Schutznorm-regel ex artikel 6:163 BW (HR 17-01-1958, NJ 1961, 568), maar hoe dan ook laat dat onverlet de overige rechtsgronden, met daarbij een uitdrukkelijk beroep op de correctie Langemeijer, waarop eiser zijn vordering op haar heeft gebaseerd. In dat kader wordt tevens gerefereerd aan HR 05-06-2009, LJN BH 2815, waaruit onder meer naar voren kwam dat privaatrechtelijke regelgeving niet beslissend is voor de invulling van een privaatrechtelijke zorgplicht.

57.
Het geld dat gedaagde ter voldoening van de verbintenis naar de bankrekening van eiser heeft overgemaakt, kon op het tijdstip van betaling niet worden gekwalificeerd als zijnde gangbaar in de zin van artikel 6:112 BW, tenzij gedaagde een plausibele verklaring kan geven voor het vaststaande gegeven dat het, als toen door haar, digitaal uit het niets gecreëerd geld – een in een digitale gegevensdrager aangeslagen €-teken, gevolgd door cijfers -, gangbaar is in het land (Nederland) (in welks geld de betaling is geschied). Voor de goede orde, artikel 6:112 BW luidt: “Het geld dat ter voldoening van de verbintenis – in casu de op gedaagde rustende verbintenis tot betaling van een geldsom aan eiser -, wordt betaald, moet op het tijdstip van de betaling gangbaar zijn in het land in welks geld de betaling geschiedt.” Eiser noemt € 312.500,-, welk teken en cijfer hij en hiervoor heeft aangeslagen – dat ging eiser erg gemakkelijk af –, op de laatste plaats gangbaar geld, laat staan een wettig betaalmiddel, waartegenover een door eiser op te brengen, meer dan redelijke en billijke rentevergoeding (naast aflossing), op basis van de arbeids- en kapitaalinbreng van eiser, niet kan en mag worden verlangd, althans daarin schuilt niet de minste redelijkheid en billijkheid. De situatie is nog veel surrealistischer dan eiser ooit heeft kunnen denken. Er was in zijn geval geen sprake van een geldsom, laat staan een gedekte geldsom; “(…) look for the reserves later”, volgens onder anderen Holmes. Welke wet sanctioneert deze werkwijze? Geen wet sanctioneert deze werkwijze! Tegenover een niet door eiser hooggehouden gangbaarheid en houdbaarheid van een door gedaagde, uit het niets gecreëerd geldbedrag for a ‘free lunch’ (rente), staat geen maat, althans staat een eigen vermogen van 0%, althans staat een eigen vermogen van rond de 4,9%, indien vermeend enig geloof mag worden gehecht aan bepaalde, zeer arbitraire boekhoudregels. Mensen met een hoger percentage eigen vermogen, horen wel thuis in een schuldsaneringstraject, in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), in dier voege dat zij vervolgens wel moeten rondkomen van een minimum uitkering. Eiser biedt aan deze stelling te bewijzen, met alle middelen rechtens, voor zover daaraan de behoefte mocht bestaan. Om voormelde reden, kan eiser niet begrijpen waarom gedaagde – dat bedrijf – zich tegenover hem mocht en mag profileren als ‘entiteit in bonus’, in plaats van geldgoochelaar, over de rug van onder anderen eiser. Eiser kan prima zelf € 312.500,- aanslaan in een digitale gegevensdrager (op basis van ‘procédé x’); gedaagde ‘mag voortaan thuis blijven’. Die ‘kwaliteit en vaardigheid van valutacreatie’ heeft ‘onze Lieve Heer’ eiser ook gegeven. Als eiser dan toch een overdadige rentevergoeding – gedaagdes’ ‘free lunch’ – moet betalen, dan doet hij dat liever aan goed doel. Herhaling: de van een wis faillissement geredde, feitelijk failliete gedaagde moet eiser uitleggen, op basis van welk procédé en welke wetsartikelen, zij uiteindelijk € 312.500, aansloeg, of mocht aanslaan in een digitale gegevensdrager, zonder onderliggende reserve (funding) voor een ‘gratis lunch’. Bij weten van eiser is namelijk geen wetsartikel die deze handelwijze sanctioneert en eiser hebben niet bereikt, berichten die maken dat NRC Handelsblad onzin heeft uitgekraamd; zie: http://vorige.nrc.nl/opinie/article2137162.ece/Toegang_tot_geld_is_geen_zaak_van_banken_alleen. Een eiser verontrustend en schokkend citaat uit dat artikel: “De grenzen worden door de banken zelf, samen met hun toezichthouder, bepaald. De verhouding tussen ‘geschapen geld’ en ‘geld in bezit’ werd in de loop van de afgelopen honderd jaar telkens verder uit balans gebracht. Het einde aan het creëren van luchtgeld is niet in zicht omdat dit proces door de gesloten club geleid wordt, en zich niet van buitenaf laat controleren.”; http://www.youtube.com/watch?v=kh9PYtmVybU. Tegen dit aspect is de onder punt 44 gememoreerde Rechtbank Oost-Brabant, aangelopen en toch sluit dat feit beslist niet af, de weg naar het antwoord op de vraag, in hoeverre de rentestipulatie – ‘free lunch’ – door banken, over uit het niets gecreëerd ‘luchtgeld’, de toets de rechterlijke kritiek kunnen doorstaan, welke vraag, naar de mening van eiser, ontkennend moet worden beantwoord.

58.
Daarnaast heeft gedaagde zich, op de hiervoor aangegeven wijze ongerechtvaardigd verrijkt (in de zin van artikel 6:212) met renterevenuen, ten nadele van eiser, door hem voorafgaande aan de sluiting van de overeenkomst van geldlening geen kond te doen, van de door haar, niet door enige gecodificeerde regel aan banden gelegde, gevoerde praktijk van geldcreatie uit het niets van het begin tot het einde. Meer concreet: de dientengevolge door eiser geleden schade, is een sinds 21-10-2010 door hem op te brengen rentevergoeding, die ruim ligt boven de door eiser voorgestelde, door hem aan gedaagde te betalen rentevergoeding van € 350,- per uur, exclusief Btw, welke vergoeding mede indachtig de hiervoor te berde gebrachte feitenconstellatie, als meer dan redelijk en billijk moet worden aangemerkt.

59.
Vanaf 21-10-2010 – datum contractsluiting -, beroept eiser zich jegens gedaagde ook op de redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW; contractuele goeder trouw.

60.
Eiser verwijst gedaagde naar hetgeen (hiervoor) is vermeld, onder de punten 10, 26, 27, 28 en 48. Gedaagdes’ aanhoudende zwijgen tegenover eiser en/of desinformeren van eiser, zoals hiervoor beschreven, impliceert bovendien, een schending van hetgeen is bepaald in artikel 6:193a e.v. BW; de geïmplementeerde Wet oneerlijke handelspraktijken (Wet ohp). Gedaagdes’ gedrag kan worden gekenschetst als een ‘oneerlijke handelspraktijk’, die leidt tot een schadevergoedingsplicht. Dít is het kader: artikel 6:193a aanhef, lid 1 BW: ”In deze afdeling wordt verstaan onder: a. consument: natuurlijk persoon (=eiser; PW) die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf; artikel 6:193a lid 1, sub b. BW: ‘handelaar (=gedaagde of hij/zij die namens haar handelde; PW): natuurlijk persoon of rechtspersoon die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf of degene die ten behoeve van hem handelt”; artikel 6:193a lid 1, sub c BW: “product: goed (digitaal/giraal geld; vordering op naam; PW), elektriciteit daaronder begrepen, of dienst” (geldcreatie volgens ‘procédé x’; PW) artikel 6:193a lid 1, sub d BW: ”handelspraktijk: iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product (die dienst en dat goed; PW) aan consumenten”;
artikel 6:193b lid 1 BW juncto artikel 6:193b lid 2, sub b BW, wil zoveel zeggen als: een handelaar (gedaagde; PW) handelt onrechtmatig jegens een consument (eiser; PW) indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is en een handelspraktijk is oneerlijk als het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen.
In het geval van eiser was er vóór, op en na 21-10-2010, op zijn minst sprake van weglaten van belangrijke of vitale kenmerken van het door gedaagde aangeboden product, hetgeen zich onder andere laat vertalen in een onredelijk hoge rentevergoeding – ‘free lunch’ -, over, althans vanwége een, op basis van ‘procédé x’, uit het niets gecreëerd geldbedrag, op basis van een eigen vermogen van 0 (nul), althans een eigen vermogen van minder dan 5%, met al dan niet digitale balans ‘leveling’ of ‘clearing’ tussen gedaagde en de centrale bank, achteraf en/of reserveaccumulatie achteraf, zoals, nogmaals, is betoogd door onder anderen voormelde ‘Fed man’, Alan R. Holmes – “In the real world, banks extend credit, creating deposits in the process , and look for the reserves later” – en Paul Sheard; “Banks lend by simultaneously creating a loan asset and a deposit liability on their balance sheet. That is why it is called credit “creation”–credit is created literally out of thin air (or with the stroke of a keyboard). The loan is not created out of reserves. And the loan is not created out of deposits: Loans create deposits, not the other way around. Then the deposits need a certain amount of reserves to be held against them, and the central bank supplies them.” Ook deze manier van zaken doen, als beschreven door Holmes en Sheard, had gedaagde eiser eerst mondeling en/of schriftelijk moeten voorhouden, al was het alleen maar vanwege het feit dat haar (eigen) personeel – eindelijk – wat zij doet en hoe zij het doet. In het geval van eiser was er ook op 21-10-2010 geen sprake van een ‘informed consent’ en wat was dat een zelfs door ‘gedaagdes’ ingezetenen’ onbegrepen handelspraktijk! Daarmee kan geen burger of ander bedrijf, dan een bank als gedaagde komen, of nee…, toch niet…, en wel om de hiervoor gememoreerde redenen! Nogmaals, wat eiser betreft, kan gedaagde zich (niet langer) met goed fatsoen verbergen achter vermeende essentiële wetenschap van eiser, indachtig de (door eiser aangetoonde) door haar (eigen) personeel en namens DNB gereden ‘scheve schaatsen’, naar aanleiding van door eiser gestelde concrete vragen, alias tentoongespreide non-wetenschap van gedaagdes’ product dat zij op 21-10-2010 heeft verkocht aan eiser. Kennelijk, althans mogelijk was gedaagdes’ personeel ook in ‘diepe rust’ tijdens de economieles, althans tijdens de economielessen die betrekking hadden op geldschepping door (commerciële) banken, alias geldcreatie uit het niets, was er sprake van integrale klassikale anesthesie en/of amnesie, althans non-perceptie – N2O uit het scheikundelokaal?! –, al dan niet als gevolg van totale desinteresse. Als gedaagde meent dat het binnen voormeld kader, niet schort(te) aan kennis bij het personeel van gedaagde, dan moet zij maar aangeven, hoe zij het telefonisch optreden van haar (eigen) personeel kwalificeert. Eiser – hij is een leek, met voortgeschreden inzicht – geeft dat optreden nu een dikke onvoldoende, terwijl ook hij in 2010 van toeten noch blazen wist. Hoe dan ook, het gaat erom dat de gemiddelde consument, in casu eiser, door de misleidende handelspraktijk van gedaagde een onjuist beeld had kunnen krijgen en daardoor tot de aanschaf van een product of dienst had kunnen overgaan die hij (mogelijk) anders niet had aangeschaft. Dit laatste is een belangrijke en cruciale constatering. In zijn naaste vrienden- en familiekring is eiser nog niemand tegen gekomen, die (ten volle) begrijpt wat de portee is van het in de economieboeken aangehaalde principe ‘geldschepping door wederzijdse schuldaanvaarding’, althans woorden van die strekking. In die kring wordt gesproken over het ‘drukken van bankbiljetten’, ‘slaan van munten’, ‘uitlenen van spaargeld’ of ‘uitlenen van geld dat van een ander geleend is’, maar van het ‘aanslaan van een €-teken, met daarachter een getal’ (geldschepping uit het niets), werd geen gewag gemaakt – wel gelach – en tja, bij gedaagde en DNB weten ze het ook (nog) niet.

61.
Voorts heeft gedaagde ook op 21-10-2010 geschonden, hetgeen is bepaald in artikel 4:20 Wft, welk artikel luidt: “Voorafgaand aan het adviseren, het verlenen van een beleggingsdienst, het verlenen van een nevendienst of de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product (eiser’s met een recht van hypotheek bezwaarde lening!; PW) niet zijnde een financieel instrument verstrekt een beleggingsonderneming of financiëledienstverlener de consument of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, de cliënt informatie voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van die dienst of dat product. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de in de vorige volzin bedoelde informatie. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op de informatie die wordt verschaft met betrekking tot de uitoefening van de in artikel 4:28, eerste en tweede lid, bedoelde rechten.” Zo had gedaagde eiser er op zijn minst van op de hoogte moeten brieven, dat zij zelf geen geld of valuta had, dat er volgens ‘procédé x’ – en ‘dienst’ – een, in deze procedure nog nader door gedaagde te omschreven andere ‘dienst’ – geld (valuta) uit het niets zou worden gecreëerd, welk geld (valuta), op enig moment, op basis van ‘wettelijke(?!) sanctionering (?!) ‘y’ geconverteerd zou worden naar, of genaamd zou zijn ‘giraal geld’ – een vordering op naam; een goed -, met integrale nadere explicatie daarvan aan eiser, ter fine van diens adequate beoordeling, als bedoeld in artikel 4:20 Wft juncto artikel 6:193a e.v. BW juncto andere, hiervoor aangehaalde wetsartikelen. O ja, not to forget the ‘free lunch’…

62.
Ter nadere onderbouwing van de onder de punten 51 tot en met 61 aangehaalde (rechts)gronden, wenst eiser hierna de volgende punten – rechtsgronden, tevens feitelijkheden – over het voetlicht te brengen, uitdrukkelijk zonder zich daarbij te willen beroepen op vernietiging of ontbinding van de tussen eiser en gedaagde bestaande overeenkomst van geldlening.

63.
Gedaagde heeft bedrog gepleegd bij het aangaan van de overeenkomst van geldlening met eiser, op basis van de hiervoor aangehaalde gronden. Eiser is van mening dat gedaagde hem destijds willens en wetens in dwaling heeft gebracht. Gedaagde heeft opzettelijk voor eiser relevante, hiervoor vermelde informatie – inhoud van de dienst (‘procédé x’) makelij van het product – geld dat wordt aangeslagen in een computer en vervolgens verwordt tot een goed, of een vordering op naam – achtergehouden, waardoor eiser, in het licht van de hem onthouden wetenschap romdom voormelde dienst en voormeld product -, met gedaagde heeft gecontracteerd, onder voor hem ongunstige voorwaarden, waaronder this ‘free lunch’, hetgeen oplevert bedrog (artikel 3:44 lid 3 BW). De strafrechtelijke variant van onder andere civielrechtelijk bedrog is artikel 326 Sr. (oplichting).

64.
Tevens is er, op basis van de hiervoor door eiser aangehaalde redenen, voor, ten tijde en na de contractsluiting (op 21-10-2010), onmiskenbaar sprake geweest van eiser benadelend misbruik van omstandigheden, welk misbruik gedaagde kan worden aangerekend (artikel 3:44 lid 4 BW); ‘free lunch!’

65.
Eiser heeft (ook) gedwaald ten tijde van het aangaan van de leenovereenkomst met gedaagde (artikel 6:228 BW). Immers, ook na het sluiten van de overeenkomst van lening, heeft gedaagde, which is still joining her ‘free lunch’, voor eiser essentiële informatie achtergehouden, waarvan ook haar personeel kennelijk nog steeds niet op de hoogte is, tenzij er zijdens gedaagde sprake is van persisterend toneelspel. Daarbij dient al hetgeen hiervoor te berde is gebracht tevens als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
SCHADE

66.
Eiser heeft tot op heden aan zijn vermeende betalingsverplichting, inclusief ‘free lunch’, jegens gedaagde voldaan, zonder ‘rillen in het wegdek’. Overigens is eiser zeker niet in de 1e plaats te doen om het geld (valuta), laat staan digitaal geld uit het niets (op basis van ‘procédé x’. Op zichzelf beschouwd heeft eiser geen moeite met een betaalverplichting, zolang er maar open kaart wordt gespeeld. Wat eiser betreft kan en mag het niet zo zijn, dat gedaagde blijft wegkomen met haar, ook moreel verwerpelijke manier van zaken doen, namelijk ook (mede) onder de paraplu van de Staat der Nederlanden en de belastingbetaler, digitaal geld creëren uit het niets – artikel 1.1. Wft, het beste bankaandeel ooit! – en daarover ook nog eens winst, in de vorm van een meer dan kostendekkende rente – ‘free lunch’ – te verlangen van burgers/belastingbetalers, of van een ander bedrijf dan het bedrijf van eiser, welke entiteiten daar (wel) wezenlijke arbeid en/of wezenlijk kapitaal (tastbaar bezit/eigendom) tegenover moe(s)ten stellen. Er valt niets voor te zeggen gedaagde nog langer het genoegen of voordeel te gunnen van de praktijk als het voortbrengen van geld uit het niets – ook zonder (afgeleid) kredietrisico -, waarover ook nog eens rente moet worden opgebracht. Zie onder andere: http://www.telegraaf.nl/dft/goeroes/steenjakobsen/21307224/__Het_Chicago-plan__.html en http://mjvdl.com/2012/11/30/the-chicago-plan-rev …. Het Chicago-plan huldigt onder andere het systeem van volledig reserve bankieren, onder andere ter voorkoming van het ook door gedaagde aangehangen systeem van ‘fractioneel roof- en cowboybankieren’, waarbij het aantoonbaar vast staat dat een flink aantal entiteiten – mensen en bedrijven – kunnen fluiten naar hun centen. Het zonnekoning-gedrag van gedaagde, is tevens in de hand gewerkt door instituten, zoals de hiervoor gememoreerde hypotheekrenteaftrek en Nationale Hypotheek Garantie (NHG), waarbij – echt waar – zelfs de hypotheekrenteaftrek aan eiser – hij maakt gebruik van die fiscale faciliteit – in rekening wordt gebracht, in de vorm van door hem af te dragen inkomstenbelasting tot wel 52% en met dat laatste kan eiser wèl leven, in tegenstelling tot met de aan hem af te dragen ‘free lunch’ aan een een ‘keizer zonder klerenbedrijf van een bosteek als gedaagde’, die verder maar moet bekijken! Ja, ja, ook de hypotheekrenteaftrek is de facto een sigaar uit eisers’ eigen doos, althans een deel van de door hem te betalen inkomstenbelasting wordt aangewend, om hem terug te geven zijn voordeel uit zijn hypotheekrenteaftrek, uit de serie ‘Leuker kunnen we het niet maken’. Het voor eigen rekening en eigen risico doen van kredietuitzettingen (artikel 1.1 Wft), met de zekerheid van een NHG-tje of een cds-je, of een ander ellendig volksverlakkend derivaatje, is ook zo’n misselijke grap en wie draait (uiteindelijk) op voor de kosten daarvan? Ook om die reden is een bank als gedaagde, geen bank in de zin van de Wft. Vooralsnog is de wereld van gedaagde eenvoudigweg detestabel, zonder dat haar personeel daar zelf erg in lijkt te hebben. Wat daar verder ook van zij, gedaagde is een bedrijf dat voor zichzelf bonussen en winsten nastreeft, op basis van het creëren van – liefst – zo veel mogelijk digitaal geld uit het niets (op basis van ‘procédé x’), for a ‘free lunch’, dus dat schiet voor de meesten onder ons, echt niet op, in het kader van ‘the game of musical chairs, till the music stops…’ In dat kader moet van overheidswege zo spoedig mogelijk snoeihard wordt ingegrepen, op weg naar een finale sanering (met finaal afscheidssaluut) van vermeende commerciële banken – Jubeljaar; http://nl.wikipedia.org/wiki/Jubeljaar –, die de facto doen alsof ze commerciële banken zijn, althans degenen die écht een bank in de zin van artikel 1:1 Wft willen zijn, dienen zichzelf daarnaar te gedragen, maar daartoe zijn zij, zo is al lang en breed gebleken, helemaal niet in staat, dus terug naar mama, alvorens de grote broek kan worden aangetrokken in de vorm van andere andere ridicule bonussen voor een stelletje losers, die zichzelf ten onrechte als winnaars afficheren, (nog steeds) op kosten van eiser en vele anderen. Gelieve in dat kader er nog eens op na te slaan http://vorige.nrc.nl/opinie/article2137162.ece/Toegang_tot_geld_is_geen_zaak_van_banken_alleen.

67.
Indachtig de door hem gecreëerde feitelijke en juridische basis, vordert eiser van gedaagde: een gemitigeerde schadevergoeding, welke aanzienlijk minder is dan de aanvankelijk voor ogen staande redelijke en billijke (netto) schadevergoeding ad € 7.500,- (te veel betaalde hypotheekrente tot 28-11-2013). Aangezien ‘de herder in denial’ (DNB) van gedaagde aangeeft dat we goud niet meer nodig hebben als dekking, mede omdat onze bankbiljetten schoon zijn en hun waarde behouden (zie http://www.youtube.com/watch?v=49YHYJpVHRk) – overigens lijkt dat sterk op een onrechtmatige overheidsdaad –, neemt eiser, met een beroep op artikel 6:103 BW, in deze zaak genoegen met een hem toekomende gemitigeerde schadevergoeding, in de vorm van een mini goudbaar, equivalent aan € 1.800,- (zegge: achttienhonderd euro), welke schade eiser, door toedoen van gedaagde, onder meer heeft geleden vanaf het (een) moment vóór het sluiten van de overeenkomst van geldlening (op 21-10-2010) tot op heden (28-11-2013), zonder dat eiser daarbij afstand doet van welke hem (later) toekomende rechten en weren dan ook. Voormelde, eerst door eiser te ontvangen schadevergoeding, zal met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden gedoneerd aan Staatsbosheer en/of een door haar ondersteund project of stichting en/of een ander beter en aanzienlijk fatsoenlijker doel dan een gebleken (n)on-onderneming als gedaagde, hoewel eiser, ook wat dat betreft zich alle rechten en weren voorbehoudt, al was het alleen maar om niet tegen de muur van een eventuele, door gedaagde opgeworpen niet-ontvankelijkheidsverweer aan te lopen. Als eiser dan toch ‘voor de kat zijn viool’ moet betalen (en werken!) op basis een doortrapte geldcreatietruc van een bank, die geen bank is, laat deze ‘voor de kat zijn viool betaling’ dan maar ten goede komen aan een goed, gezond en wel levensvatbaar doel (http://en.wikipedia.org/wiki/Zombie_bank).

68.
Eiser vraagt tevens om vergoeding van de proceskosten, waaronder het door hem te betalen griffierecht alsmede vergoeding van de nakosten.
WAT VERDER NOG TER TAFEL KOMT

69.
Eiser kan zijn kijk op deze zeer onverkwikkelijke zaak niet mooier ‘lelijk’ samenvatten dan de predecessor van ir. J.R.V.A. Dijsselbloem, de heer mr. J.-C. Juncker, die in 1999, als exponent van ‘Circus Europa’, de wereld, sorry, Europa ‘verblijdde’ met de volgende boodschap: “Wir beschließen etwas, stellen das dann in den Raum und warten einige Zeit ab, was passiert. Wenn es dann kein großes Geschrei gibt und keine Aufstände, weil die meisten gar nicht begreifen, was da beschlossen wurde (onderstreping PW), dann machen wir weiter – Schritt für Schritt, bis es kein Zurück mehr gibt.” (bron: Der Spiegel, 52/1999, pagina 136); http://www.youtube.com/watch?v=L0pCMFHkHSs. Hoe tenenkrommend arrogant kan iemand zijn? Eiser is beslist geen onredelijke kerel, maar eist dat anderen zijn grenzen respecteren. Een man als Juncker koos voor overschrijding daarvan en daarmee voor de openlijke aanval op eiser, die niet kan, maar moet terugslaan. Wat Juncker hier zei, sloeg ook op eiser en kwam onder andere neer op het volgende: in samenspraak met de BIS, maken en stellen banken hun eigen regels die hen ‘etwas besser auskommen’, welke regels in op een slinkse manier in de Europese regelgeving worden geïmplementeerd (Bazel III–>CRD4), met als gevolg dat nationale regelgeving, althans de drang om deze te wijzigingen wordt ‘kalt gestellt”. Eisers’ stelling dat Bazel III de ‘natte droom’ is van het bankenkartel, zuigt hij niet uit zijn duim en dat verdorie ‘under the very eyes of Europe, the winner of the Charlemagne Prize en, veel erger, zijn gekozen nationale vertegenwoordigers. How low can we still go! Lees in dat licht, het artikel van prof. dr. Ewald Engelen, dat is gedateerd op 14-12-2010 (http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/bazel-iii-is-een-lachertje-en-bankiers-lachen-het-hardst). Ook de inhoud daarvan, dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Anno 2013 is Woodrow Wilson, ex-president van de Verenigde Staten van Amerika, weer helemaal ‘back in business’, met zijn reeds hiervoor gememoreerde uitlating: “A great industrial nation is controlled by its system of credit. Our system of credit is concentrated. The growth of the nation, therefore, and all our activities are in the hands of a few men.” De SP’ers, die artikel 1:1 Wft – ‘the Dutch holy grail of the killing system of credit’ – aan de kaak stelden, waren mogelijk – mogelijk: gelukkig! – jammerlijk te laat. Binnen dit laatste bestek, spreekt eiser de hoop, het vermoeden en het vertrouwen uit, dat uiteindelijk de eersten de laatsten zullen zijn, wat niet meer zal zijn dan hun verdiende loon.
BEWIJS
Onder protest daartoe gehouden te zijn, biedt eiser aan zijn stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door middel van getuigen, waaronder hijzelf, Ad Broere en Anthony Michgels alsmede geschriften.
CONCLUSIE VAN REPLIEK/CONCLUSIE VAN DUPLIEK
Daarbij verzoekt eiser U edelachtbare, liever niet eerst te entameren een comparitie van partijen, doch in plaats daarvan eiser de gelegenheid te geven tot het nemen van een conclusie van repliek en gedaagde daarop de mogelijkheid te bieden voor het nemen van een conclusie van dupliek.
MET CONCLUSIE:
dat het U edelachtbare heer/vrouwe kantonrechter in de rechtbank, moge behagen om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagde, op basis van één of meer van de door eiser aangehaalde rechtsgronden, dan wel op andere rechtsgronden, te veroordelen tot betaling van ook niet door gedaagde uit het niets te creëren fysiek goud – een mini goudbaar -, equivalent aan € 1.800,- (zegge: achttienhonderd euro) op vonnisdatum, althans gedaagde te veroordelen tot betaling van € 1.800,- (zegge: achttienhonderd euro), zijnde de gemitigeerde schadevergoeding als hiervoor bedoeld;

2. gedaagde niet te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente;

3. gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder het door eiser te betalen griffierecht alsmede vergoeding van de nakosten.

2 thoughts on “ING gedagvaard voor gefalsificeerde geldcreatie en onrechtmatige rente….

  1. beste mensen,

    hartelijk dank voor dit uitvoerige verhaal. Eindelijk een begrijpelijke uitleg van de geldscheppingsproblematiek in het Nederlands, want van de Engelse teksten in zwaar jargon in vele bijdragen kon ik maar erg weinig begrijpen. Al die termen van Latijnse oorsprong kan ik niet onthouden, heb voor alles een woordenboek nodig.
    Wist niet dat voor het gerecht zulke frivole spreektaal gebruikt werd, overigens.
    Ontbreekt alleen de informatie of en waar en wanneer dit proces zal gaan plaatsvinden.
    Of is dit alleen de vorm, om de boodschap in te gieten?

    • Beste, de ING is inmiddels gedaagd, maar verder is er nog geen informatie. Daarnaast lopen er verschillende processen wereldwijd aangevoerd door Mike Montagne op basis van MPE en ACR. Ook zijn we momenteel bezig met de ABN-AMRO en RABO Bank. Deze stukken zijn inderdaad moeilijker te begrijpen maar naar mijn mening zulen zijn argumenten in een rechtbank blijven staan. De uitleg en argumenten van deze advocaat zijn niet geweldig in juridische zin. Maar we zullen zien. Als er nieuws is melden we dat hier. Bedankt

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s